Gouden kloosterjubileum 
Zuster Edwarda Joye
Curriculum Vitae 

Geboren op 25/09/1938
Geboorteplaats : Wevelgem

Ingetreden in Sint-Michiels Brugge bij 
de Zusters van de Bermhertigheid Jesu 
op 08/09/1960

Ingekleed 09/03/1961

Eerste geloften : 12/04/1962

Studies :  ziekenoppasser
  Verpleegkundige

Start in Kortenberg : 30/12/1963

Adres:
UPC K.U. Leuven | campus Kortenberg | Leuvensesteenweg 517 | B–3070 Kortenberg | www.uc-kortenberg.be - zr.edwarda.joye@uc-kortenberg.be - tel. +32 2 758 06 07

HOMILIE

Beste Zuster Edwarda, geachte familie, goede vrienden van de zuster en de zusters.

Vijftig jaar kloosterleven is een lange tijd, een heel stuk van het mensenleven.
Op vijftig jaar gebeurt er heel veel, zowel in de cultuur en de maatschappij, als in de mens zelf.
In een razende snelheid en op radicale wijze is onze cultuur geëvolueerd, om het met korte woorden te zeggen; van een quasi universeel aanvaarde hoogachting voor de kerk en de christelijke waarden naar een verbitterde en neerbuigende kijk op al wat met godsdienst en vooral met de kerk te maken heeft. De religieuzen, vrouwen en mannen, zijn ondertussen van enthousiaste en optimistische jongeren die vol moed hun taak opnamen, geworden tot zeventig plussers die verwonderd opkijken bij de hedendaagse kritiek en commentaar en zich afvragen, zijn onze goede bedoelingen dan toch niet overgekomen?
Tussen die twee posities in ligt ons leven, d.w.z. het leven van U zuster Edwarda maar ook het leven van haast alle religieuzen die hier in deze viering aanwezig zijn. U, wij, … houden vol in de keuze die we in onze jeugd hebben gemaakt en we hopen te kunnen volharden op die weg. Geen van ons wil zich voorstellen als volmaakt of perfect; we nemen ons voor om elke dag opnieuw weer ons best te doen al naar onze mogelijkheden; maar … soms komt de bekoring op “hebben we wel juist gekozen?” of anders uitgedrukt: “had het wel echte waarde, al waarvoor we hebben geleefd?”
En dan kijken we even rondom ons en zien dat er voor een religieuze levenswijze nog heel weinig enthousiasme is; jongeren melden zich niet meer aan, sommigen traden in maar gaan weer weg; wie ouder is dan ons valt weg, en wijzelf verliezen aan kracht en gezondheid. We bidden dan tot God dat hij onze goede wil mag sterk houden, maar menselijkerwijze voelen we ons een beetje klein en onzeker, we staan er bij met een klein hartje.

Eerwaarde Zuster, het moge u verwonderen dat dit de woorden zijn bij uw jubileumviering. “Jubileum” betekent “tijd van jubelen”. Waarom zouden wij niet jubelen? De inleidende zinnen van zojuist drukken echter een vraag uit: wat is de waarde van het leven van een religieuze, niet alleen in de verleden tijd, maar in de tegenwoordige tijd.
Om die vraag te beantwoorden helpt het toeval ons een beetje. Uw feestdag valt samen met het liturgische feest van de Engelbewaarders. Zuster Edwarda en ook haar medezusters houden van de liturgie, deze bepaalt hun bidden en zingen en hun bestaan. Hebben zusters iets te maken met engelbewaarders?
Dit zou een mooie vergelijking zijn, want inderdaad de vijftig jaar die uw kloosterleven vormden waren vervuld met een taak die men gerust kan vergelijken met die van engelbewaarders. Zieken verzorgen, zwakken ondersteunen, hulpelozen helpen, troostelozen opbeuren, kanslozen een nieuwe toekomst bezorgen, uitzichtlozen nieuw inzicht bijbrengen: dit alles kan men gerust beschouwen als het werk van een engelbewaarder. Men kan van dit standpunt uit terecht zeggen dat het vandaag jouw feestdag is. En we zouden er kunnen bijvoegen dat u, zelfs op een leeftijd waarop anderen al lang op pensioen zijn, nog altijd bezig bent die rol  van engel te vervullen.
Er is een bezwaar: … niet alleen de zusters zijn engelbewaarders, maar in die betekenis zit het UPC St. Jozef vol met engelbewaarders en engelbewaardsters, want in dit huis zijn er vele mensen die dezelfde of gelijkaardige taken met een gelijkaardige bekwaamheid en gelijkaardige liefde vervullen. Zeggen dat we allemaal engelen zijn wordt dan gemakkelijk, maar lijkt dan minder karakteristiek, ook al is het een ware uitspraak.

Ik wil even dieper zoeken naar de betekenis van wat het is ‘een engel te zijn’.
Daartoe keer ik mij naar de bijbel, en dan vind ik daar engelen zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament. Men vindt er engelen in verschillende soorten: de meest opvallende namen zijn Michaël, Gabriël en Rafaël, en daarnaast zijn er engelen zonder naam, en die zijn talrijk. Jezus zelf vermeldt engelen die over de kinderen waken. Deze engelen hebben in de christelijke theologie een rol gespeeld en controversies opgeroepen. Laten we even de discussie rusten en stellen we gewoon de vraag: wat komen die engelen doen in het grote verhaal over God en de mensen. Want dat is het juist: de H. Schriften zeggen ons iets over de verhouding van God tot de mens. Van in het begin van de boeken staat er: God is Schepper van hemel en aarde. Hij staat ver af van de mens. En tegelijk bekommert hij zich zeer intens met die mens, en zo staat Hij, God, dus ook dicht bij de mens. Om dit raadsel van afstand en nabijheid in beeld te brengen stelt de bijbel het zo voor dat de grote God zijn boodschap overbrengt aan de kleine mens door middel van een boodschapper.
Die boodschappers noemt men “engelen”. Een engel vertegenwoordigt God bij de mens; Hij brengt het woord over aan de mens. Hij is een compagnon die de mens begeleidt op zijn weg, zijn reis door het leven. En wie de Schrift leest zal merken dat dit de echte taak is van de engelen zoals God ze ook wil hebben. Wij zouden – modern – kunnen zeggen dat ze de verpersoonlijking zijn van Gods nabijheid.

Eerwaarde zuster: wij jubelen vandaag terecht op deze dag voor de engelen: want de taak van de religieus, hetzij man of vrouw,  ligt op dit terrein. De bedoeling van de geloften bestaat erin om zo goed mogelijk te leven als dé engel bij uitstek: Jezus de Christus. Hij die kwam als gezonden door zijn Vader, bracht ons de nabijheid van God wel heel dichtbij. Leven in deze navolging van Christus is voor ons hetzelfde als “leven in Gods nabijheid, en Gods nabijheid nader brengen bij de mensen”.
Dit is onze echte taak, in al wat wij doen en laten, ligt daar de zingeving van ons leven.
Onze eigen taak bestaat erin zo te leven, dat de medemensen in ons kunnen erkennen hoe God mensen kan nabij zijn. We zouden zo moeten leven dat wij aan de mensen een boodschap brengen van Gods goedheid (niet die van onszelf).
Hieruit volgt een tweevoudige beschouwing:
-die mooie taak doen we steeds op onvolmaakte manier, we kunnen haast niet anders, want we blijven zelf mens (in alle betekenissen van dit woord).
-maar als we die taak wel doen wijzen we de juiste weg ook voor de anderen die naast en met ons leven.
En door het te doen, weten wij dat ons leven waardevol is, dat het nooit tevergeefs is, en dat deze vorm van leven nooit zal teloorgaan zolang er een christelijke gemeenschap, een kerk, zal bestaan.
Dat moge ons moed geven om erin te volharden,
en het moge ons zin geven om erin te blijven geloven.
Om het heel eenvoudig  te zeggen met een voorbeeld.
Als u koffie schenkt voor onze patiënten, moet het met die mentaliteit geschieden. En ik weet uit jarenlange ervaring dat u inderdaad het zo probeert te doen na de zondagmis. Dank u voor dit getuigenis.
Zo’n leven eist wel engelengeduld ten opzichte van onszelf en ten opzichte van de kleine gemeenschap waarin we leven.
De woorden van de apostel Paulus mogen ons daarbij bemoedigen:
“het kleine maakt ons groot, het zwakke maakt ons sterk” zegt Sint Paulus (hij zegt het met andere woorden, maar wel met deze betekenis).
Deze gedachten moge u begeleiden als u nu uw professiewoorden gaat herhalen.
AMEN.


Zuster Edwarda hernieuwt haar plechtige gelofte in de Kapel van het Universitiar Psychiatrisch Centrum Sint-Jozef

Eerste lezing uit Exodus 23,20-23a

Zie, ik zend een engel voor je aanschijn uit
om over jou te waken op de weg,
en om je te doen komen
in het oord dat ik heb gegrondvest.
Wees waakzaam voor zijn aanschijn
en hoor naar zijn stem,
wees niet weerspannig tegen hem;
want hij vergeeft uw misstappen niet,
want mijn naam woont in hem.
Want als je horende hoort naar mijn stem
en doet
al wat ik zal spreken,
zal ik de vijand zijn van jouw vijanden
en benauwen wie jouw benauwen.

Psalm 91(90) (Qui habitat..)

Geen kwaad zal je bereiken,*
geen plaag
zal naderen je tent;

want zijn engelen zal hij voor jou gebieden*
je te bewaken
op al je wegen;

op handen zullen zij je dragen,*
dat je je voet niet aan een steen zult stoten.
 

Evangelie uit Mattheus 18,1-5,10

In dat uur komen de leerlingen tot Jezus
en zeggen: wie is dan de grootste in het koninkrijk der hemelen?
Hij roept een kind bij zich,
laat het midden tussen hen staan en zegt:
zeker is het, zeg ik u:
als gij niet omkeert en wordt als deze kinderen
zult ge het koninkrijk der hemelen nooit binnenkomen!
Hij dus die gewoon gering durft te zijn
- zoals dit kind -
die is de grootste in het koninkrijk der hemelen!
En wie één zo’n kind om mijn naam binnenhaalt,
haalt mij binnen.
Ziet toe dat ge niet één van deze kleinen geringschat;
want ik zeg u dat hun engelen in de hemelen
altijd het aanschijn aankijken
van mijn Vader in de hemelen.

Homilie. (Guido)

De Engelen. (Uit: God is soms even/Engelen VI)

Vorige keer hebben we al gezien hoe in de bijbelse tijd het geloof opkwam dat engelen individuele mensen bijstaan.
Mede naar aanleiding van Psalm 91 ontwikkelde zich het idee van beschermengelen, ook wel engelbewaarders genoemd. In die psalm staat immers: “Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen.”
Een plastische beschrijving van het optreden van zo’n beschermengel vinden we in Handelingen 12, waar Petrus door een engel uit de gevangenis wordt gehaald. Wachtposten en ijzeren toegangspoorten vormen geen belemmering. De gedachte dat vooral kinderen door engelen beschermd worden vindt zijn oorsprong in Matteus 18,20 waar Jezus zegt: “Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader.”

Engelen die een rol spelen bij het levenseinde van mensen.
Van veel martelaren in de vroegchristelijke kerk wordt verteld dat ze in hun lijden werden bijgestaan door engelen. Wanneer ze stierven begeleidden engelen hen naar de hemel. Deze opvatting werd ondersteund door de woorden van Jezus over de arme Lazarus: “Hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten”. In de katholieke uitvaartliturgie komt het ‘in paradisum’ voor: In paradisum deducant te angeli (mogen de engelen u geleiden naar het paradijs), waarvan trouwens ook een aantal variaties voorkomen in een protestantse bundel Zingend Geloven VI. Bachs Johannes Passie eindigt met het slotkoor: Ach Herr, lasz dein lieb Engelein, Am letzten End die Seele mein, In Abrahams Schosz tragen.
(http://www.kerkpleinjoure.nl/Allerhande%20Gereformeerd/Engelen_Waringa04.htm)

Ds. Cor Waringa.


Samen met haar koor "De Everaert-Ghesellen" o.l.v. Gaby Leaerts zong Zuster Edwarda de liederen tijdens de plechtige jubileumviering.