LEVEN IN LIEF EN LEED
Het sluiten van een levensverbintenisUit “Kerugma” 38e jg. 1994/1995 nr 5
Een huwelijkssluiting
Ik geef nu een uitvoerige beschrijving van de laatstgehouden huwelijksvoorbereiding, omdat ik daaraan duidelijk kan maken volgens welke basismethode wij in onze gemeenschap te werk gaan. Het is een werkwijze die altijd weer terugkomt, al verschilt uiteraard de inhoud.
Deze basismethodiek is een vorm van wat ik `inipliciete verkondiging' noem. Als domimicaan die tevens pastor is, ga ik met mensen onderweg op zoek naar wat hier en nu waarde heeft, en wat betekenisvol voor ons is. Dat wisselen wij met elkaar uit. Over en weer vragen wij elkaar: `Wat bedoel je?'. En we proberen ons er zo veel mogelijk van bewust te worden dat het laatste woord daarmee niet gezegd is. Geloven is als liefhebben. Het is een kunst die je kunt leren. Ik vind dit een belangrijke notie. Ze daagt mij ertoe uit woorden die sleets geworden zijn, te omschrijven, en te zoeken naar wat de fantasie en creativiteit van mensen prikkelt.Kennismaking
`Wanneer ik teksten van Oosterhuis zing, raak ik geëmotioneerd. Dan lopen er koude rillingen langs mijn ruggegraat', zegt zij tegen mij. Ik ben met haar en haar vriend in gesprek geraakt over haar wens op zondagmorgen te trouwen tijdens het wekelijkse vieren van de gemeente waarin zij zich thuis voelt. In hun eigen flat heb ik tweemaal een oriënterend gesprek met hen. Beiden zijn omstreeks de dertig en afgestudeerd. Ze wonen al enige tijd samen. Zij is van huis uit katholiek; hij is niet gelovig. Het eerste gesprek is vooral bedoeld om kennis te maken. Zij praten over hun werk en toekomstplannen; ze willen trouwen omdat ze aan kinderen toe zijn. Als pastor blijf je niet buiten schot. Ik vertel over mijn leven, over keuzen die ik gemaakt heb, over mijn werk.In zo'n gesprek van ruim anderhalf uur komen geloof, zingeving, kerk, uiteraard aan bod. Zij is ermee opgevoed; vertelt over gebruiken en gewoonten thuis, hoe ze zelf daarin een weg zoekt. De waarheid van de kerk is niet vanzelfsprekend haar waarheid. Geloven is voor haar beleving, emotie, sfeer, niet zozeer dogma of leer. Op velerlei manieren is zij actief geweest en is zij het nog in de gemeente waar zij nu kerkt. Ze is lid van het koor. Voor haar vriend ligt zingeving op het vlak van contact met vrienden. Wat met het milieu te maken heeft, is zinvol voor hem. Het is zijn werk, hij gaat er dagelijks voor op pad.
Tijdens zo'n gesprek maak ik aantekeningen: woorden, uitspraken, opmerkingen die mij boeien. Ze komen mij van pas bij het voorbereiden van de overweging en de dienst. Meer dan eens zijn ze dan voor mijn gespreksgenoten een herinnering aan wat zij zelf te berde hebben gebracht.Het eigen levensverhaal
In het daaropvolgende gesprek, enkele weken later, vertellen beiden hoe zij hun relatie ervaren. Alle twee hebben een stukgelopen relatie achter de rug. Ze weten van ideaalbeelden en hoe je elkaar daarin kunt vastzetten of overvragen. Op zo'n manier wijs worden gaat van `au!'. Nu zijn ze erop bedacht dat hun nieuwe relatie geen kopie zal zijn van wat is voorafgegaan.
Gaandeweg het gesprek blijkt hoe verbondenheid met haar vriend voor de jonge vrouw een religieuze dimensie heeft. Het gesprek centreert zich rondom godsbeelden en hoe deze in teksten van Oosterhuis worden benoemd: `Uit eigen aard en huid naar iemand toe, / onontkoombaar. En niet wonen meer, / tot ik Hem, Hij mij vinden zal. En hoe / een zee van dromen gaat in mij tekeer'. Dat deze religieuze inkleuring hem vreemd is, vindt haar vriend geen gemis. Maar het is voor hem bijna vanzelfsprekend dat zij daaraan uitdrukking wil geven tijdens een viering.
Stap naar de gemeente
Wij spreken af dat de bruid per brief aan de beleidsorganen van haar gemeente om toestemming zal vragen voor een huwelijksbevestiging op zondagmorgen. Daarna zullen we met de voorbereiding gaan via een daartoe te vormen groep. De procedure verloopt niet vlekkeloos. Er zijn wat strubbelingen. Trouwen op zondag is geen probleem. Maar waarom in de veertigdagentijd? Dat is geen gewoonte. Bovendien zal het de geplande cyclus op weg naar Pasen onderbreken. Uiteindelijk komt er toch groen licht, zeker nadat is uitgelegd dat de voorbereidingsgroep deze cyclus serieus neemt. Naast het bruidspaar hebben vrienden van hen zitting in deze groep. Zij vertegenwoordigen tegelijkertijd het koor. Ook de liturgische werkgroep doet mee, en uiteraard ikzelf als voorganger. Met z'n zevenen is voldoende. We plannen twee bijeenkomsten om de liturgie ‘persklaar' te maken, en houden een derde avond in petto voor de afronding.Over Zacharia, Lucas en Almitra
Wanneer we als groep de eerste avond bijeenkomen, beschikken we over informatie die de liturgische lijn aangeeft voor de zondagen in de veertigdagentijd. Het leesrooster `De eerste dag' van de sectie Eredienst van de Raad van kerken wordt gevolgd. Tot Pasen kent dit rooster naast Lucas een lectio continua uit de profeet Zacharia. Vooral in de kindernevendienst zal deze profeet in een aangepaste vertaling een rol spelen.
Verder staat vast dat elke zondag tijdens de dienst water en brood gedeeld worden: herinnering aan de tocht van veertig jaar door de woestijn. Een klein fragment uit het achtste hoofdstuk van Deuteronomium zal er aan het begin van elke viering naar verwijzen. De dienst die wij gaan voorbereiden wordt gehouden op zondag Laetare, ook wel `klein Pasen' genoemd. Kan het geschikter? Als schriftlezingen staan op die dag aangegeven Exodus 16 (het manna in de woestijn); Zacharia 6, 9-15 en Lucas 15, 11-32 (een vader had twee zonen). Na enige discussie besluiten we de Exodus-tekst te laten vervallen, vooral omdat het tafelgebed ernaar verwijst.
Er ontstaat ook een gesprek over Zacharia. Het is een verre van gemakkelijke tekst, die om uitleg vraagt. Zeker nu er een groot aantal gasten in de dienst wordt verwacht voor wie kerkgang geen gewoonte is. Met hen moeten we rekening houden, vinden we unaniem.
Ten behoeve van de kindernevendienst heeft iemand uit die werkgroep de tekst van Zacharia aldus geparafraseerd: `Maak een kroon, want zo spreekt de Eeuwige, je God: De vredevorst zal komen. Hij maakt van Jeruzalem een plek waar ik wonen kan, een plek van recht en vrede'. We besluiten dit fragment over te nemen.De werkgroep tekent daarbij aan dat de kinderen in hun eigen viering een kroon zullen maken als teken van de messiaanse belofte. Iedereen zwijgt, denkt na. Dan herinnert zich iemand, dat in de joodse huwelijksliturgie een kroon boven het hoofd van de huwenden wordt gehouden. Dat kan de schakel zijn die de kindernevendienst verbindt met het vieren van de gemeente. We zullen de kinderen vragen een kroon voor het bruidspaar te maken.
Bruid en bruidegom bepleiten dat een van hen beiden de woorden van Almitra, de profeet uit het boekje van Kahlil Gibran, over het huwelijk zal mogen lezen. Het is een tekst die hen buitengewoon aanspreekt. De tijd die ons rest, besteden we aan het lezen en bespreken van Kahlil Gibran en Lucas 15. Wat staat er? Hoe komt het bij je binnen? Wat voor zeggingskracht hebben beide teksten voor de gemeente die op zondag samenkomt, en voor allen die omwille van het bruidspaar de viering zullen meemaken? Het is een verfrissende gedachtewisseling. Wij horen nieuwe dingen van elkaar.
Voordat we afsluiten, zeggen de koorleden dat de volgende keer aan bod moet komen wat er gezongen wordt. Bruid en bruidegom zullen nadenken over inhoud en vorm van hun huwelijksbelofte. Ik geef hun in overweging dat eerst afzonderlijk te doen, en daarna de resultaten bij elkaar te zetten in korte en heldere formuleringen.
Het is een intensieve avond geweest, die erg dorstig maakt. En bruid en bruidegom hebben daarmee rekening gehouden!
Waar gaat de tocht naar toe?
De volgende voorbereiding valt drie weken later. Het bruidspaar haalt uit de slaapkamer werk van de Franse schilder Georges Braque (1882-1963). Het is een reproductie. Je ziet twee vogels, of beter: het vermoeden van twee vogels tegen een blauwgrijs fond. Het werk spreekt hen aan. En daarom willen ze er gebruik van maken op hun huwelijksaankondiging. Het motief zou ook passen op de huwelijksliturgie, vindt de bruid.Ter opfrissing lees ik enkele notities voor uit onze vorige bijeenkomst. Liefde, in je binnenste `geraakt' worden om iets of iemand, is het fundament voor alle menselijke verhoudingen. Dit geldt allereerst voor de gemeenschap, maar niet minder voor de enkeling. Als liefde wordt vastgelegd in onveranderlijke normen en waarden, raak je haar kwijt (Lucas 15). Verbondenheid in het huwelijk is een paradox van vasthouden en loslaten, van nabijheid en afstand, zegt Alinitra de profeet. Brengen de vogels van Braque dat in beeld? Zodra je hen op het netvlies krijgt, vervluchtigen ze alweer. Op die manier associërend komen we tot de conclusie dat het werk van Braque uitstekend in de viering past.
Dan bekijken we wat het koor aan liederen heeft uitgezocht. Een tweetal van Herman Verbeek, maar voornamelijk teksten van Huub Oosterhuis. Ze worden gelezen, fragmentsgewijze aangehaald of gewoon `mooi' bevonden. Ik vraag of ze ook door iedereen meegezongen kunnen worden? `Op mij moet je niet rekenen', zegt de bruidegom, `ik ben geen maatstaf. `Maar jij bent ook een heiden', zegt zijn vriendin. In een flits kijken ze elkaar aan, zwijgen even en beginnen te lachen. Niet door iedereen te zingen dus, maar vaste kerkgang(st)ers en het koor kunnen meedoen. En dat is al heel wat. Tussen de bedrijven door hoor ik van een koorlid dat er nog iets gezongen gaat worden. Maar dat moet voor het bruidspaar nog even geheim blijven. Ze geeft mij het lied. Ik lees het door, en stuit tot mijn verrassing op de woorden `Vogeltje van de bergen, waar gaat de tocht naar toe?'. `Braque', gaat het door mij heen.
We buigen ons over de orde van dienst. Na deze avond moet de liturgie drukklaar zijn, was immers afgesproken. Zonder al te veel moeite lukt dat. Daarna komt tegelijk de vraag: wie doet wat, en wanneer? Aan het begin van de viering zal de bruid Deuteronomium lezen; de bruidegom neemt de tekst van Almitra, de profeet. Aan één van de kinderen wordt Zacharia toebedacht. De zus van de bruid gaat `Een man had twee zonen' voorlezen. Uit ervaring weet ik, dat iedereen daarbij ademloos zal luisteren, alsof een nog nooit gehoord verhaal klinkt. Er zal muziek zijn voor piano en fluit. Ook bijzonder. Niet omdat de twee uitvoerenden muzikale pretenties hebben, maar omdat ze er `hun ziel en zaligheid' in weten te leggen.
Als pastor hanteer ik nooit het woord `leek'. Ik vind dat verwerpelijk. Het is kerk-juridisch taalgebruik, in bepaalde situaties wellicht zinnig, maar volstrekt irrelevant in de praktijk van alledag. Zeker wanneer ik rondkijk in deze voorbereidingsgroep: allemaal mensen met artistieke, muzikale, vocale en intellectuele capaciteiten. Tot opbouw van de gemeente zijn er vele vormen van dienstverlening (vergelijk 1 Korintiërs 12, 5). Ik mag als voorganger van hun kundigheden gebruik maken. Gemeenteleden zijn er niet om aan mijn leiband mee te lopen.Samen zoeken
De derde en laatste keer dat wij ter voorbereiding samenkomen, gaat het vooral om wat de huwenden elkaar zullen toezeggen. Ze laten ons het resultaat van hun `huiswerk' horen. Het is een eenvoudige tekst, gekenmerkt door het feit dat beiden weten van verlies, maar ook van opstaan, vinden en opnieuw gevonden worden. Er is vertrouwen in elkaar. Daarom beloven ze in goede en in slechte tijden zich met hart voor hun relatie in te zetten. Dat zal zin geven zowel aan hun eigen leven als aan dat van anderen. Met z'n zevenen vinden we dat de belofte `af is. De tekst is goed. Niet meer of met minder. Daarmee kan het bruidspaar tijdens de viering om bevestiging vragen van het burgerlijk huwelijk.
Ik vertel vervolgens dat ik intussen contact heb gehad met degene die op zondag Laetare de kindernevendienst leidt. Over en weer hebben we uitgelegd wat we gaan doen. En hoe we op elkaar kunnen aansluiten. De kinderen zullen op de kronen hun wensen schrijven voor het bruidspaar. (Waar heb ik ook weer gelezen dat ‘de gebeden van het volk een kroon zullen vormen boven het hoofd van de gezegende'?). Er wordt nog gepiekerd over de vraag hoe twee kinderen hun kroon boven het hoofd van bruidegom en bruid zullen houden. Maar het komt ongetwijfeld voor elkaar.Een ander heeft informatie opgezocht omtrent het werk van Georges Braque. Voor ons is belangrijk te weten dat de schilder via zijn werk op zoek is gegaan naar wat echt is, naar wat mensen ten diepste beweegt. En dat in een tijd waarin stromingen opkomen zoals communisme, fascisme en nationaal-socialisme, die vaste waarden en normen propageren. Braque maakt daarbij veelvuldig gebruik van een vogelmotief. Het is een welkome aanvulling bij wat we begrepen hebben uit de woorden van de profeet en het verhaal uit Lucas 15.
Ik kijk naar de bruidegom. Hij kent de groep mensen die de viering voorbereidt, bijna allemaal. Hij verdedigt het goed recht van zijn vriendin hun huwelijkssluiting ook op deze manier vorm te geven. Maar het is niet zijn keus. Een aantal punten van discussie laat hij voor wat ze zijn. Niettemin maakt hij regelmatig opmerkingen die ons doen beseffen dat vieren niet zonder openheid naar buiten kan. Een moment van bezinning op je trouwdag is geen uitsluitend kerkelijk privilege. Dat heeft consequenties voor de taal die je spreekt, voor de vormen die je hanteert, voor de godsbeelden die daarachter verscholen gaan. Daarom wil de bruidegom wel woorden van de profeet Almitra voorlezen. Hij zal echter niet meedoen aan het delen
van brood en water. Dat de kinderen zijn vrouw en hem zullen kronen, vindt hij uitstekend. Maar het taalgebruik in sommige gebeden staat hem tegen.
De groep laat zich daarin gezeggen. Zo hoort het ook, vind ik. Liturgie is gemeenschapsgebeuren. Niet alleen bestemd voor wie er vertrouwd en bekend mee is. Ook toevallige passanten moeten zich aangesproken voelen op bepaalde momenten; erbij betrokken worden wanner zij er naar zoeken. Dat geldt voor wekelijkse vieringen, maar meer nog bij scharniermomenten in het leven van mensen. Iedereen die voorgaat, zou zich daarvan bewust moeten zijn.
Ik zit nogal eens in de kerkbanken bij een dienst, en merk dan dat routine en vanzelfsprekendheid vaak de boventoon voeren. Ik vind het de dood in de pot wanneer voorgaan gewoonte is geworden. Wie durft het aan de pastor erop te attenderen dat zij of hij aan herscholing toe is?Zondagmorgen
Een zaal; twee hoge ramen, bedekt met vitrage overgordijnen. Zonlicht valt door het ene raam. Een staand kruis tekent zwart af tegen het andere. Er staat een eenvoudige tafel met daarop twee kaarsen en een boeket paarse bloemen tegen een groene achtergrond. Op een standaard het schilderij van Georges Braque. Rechts van de tafel het koor en de muziekmakers; links een lezenaar met microfoon. Rijen stoelen, in een halve cirkel opgesteld. Op elke stoel de tekst van de liturgie.
Terwijl het koor nog aan het inzingen is, loopt de zaal langzaam vol. Mensen die min of meer gewend zijn elkaar hier wekelijks te ontmoeten, en bruiloftsgasten. De laatsten duidelijk in de meerderheid. Gepraat en geroezemoes van stemmen. Kinderen hollen in het rond. Even na half elf komt het bruidspaar binnen. Als voorganger heb ik de twee in de voorhof opgehaald. Ze zijn allebei wat gespannen. Vooral de bruidegom kan best een oppepper gebruiken. De bruid is in het groen; ze heeft bloemen in de zelfde kleuren bij zich als die welke op tafel staan. De bruidegom heeft ook groen in zijn kleding verwerkt, maar ik zie niet precies hoe.
Het is stil geworden. Wanneer iedereen zit, wordt namens de gemeente een woord van welkom uitgesproken. En er wordt aangegeven hoe deze dienst past in een geheel van vieringen op weg naar Pasen.
De huwelijksbevestiging zorgt vandaag echter voor een bijzonder accent. Zoals op alle zondagen, komt één van de kinderen naar voren, en zet op haar fluit een eenvoudige melodie in: `Kom mens, kom in de woestijn; de Geest van God zal met je zijn'. Het lied wordt goed meegezongen. Dan leest de bruid uit Deuteronomium, en weer klinkt het zelfde lied, nu begeleid door de piano. De woorden van Zacharia, door een kind gelezen, zijn nauwelijks voorbij, of andere kinderen komen naar voren. Ze weten dat ik als voorganger één van hen zal vragen de kaarsen op tafel aan te steken met het licht van de paaskaars. Dan trekt de stoet weg naar de kindernevendienst. De fluitspeelster voorop. De kinderen nemen één van de kaarsen mee. En ook de kroon, waarvan in de tekst van Zacharia sprake is. Ik zeg tegen de kinderen van de gasten dat zij ook mee mogen. Ze doen het warempel!Wat is de liefde nu?
`Laten we stil zijn en ons concentreren', zeg ik dan. Het is altijd weer verbazingwekkend, hoe een ruimte met mensen vol aandacht stil kan zijn. Een tot twee minuten lang. Koor en gemeente zingen dan een lied van Herman Verbeek. Ik onthoud flarden: `Laat er eenvoud, aandacht, leven, waken zijn'. De tekst van Almitra sluit erbij aan. De bruidegom leest voor, nog steeds wat gespannen. Gaandeweg verandert zijn stem. Je kunt horen dat deze woorden waardevol voor hem zijn. Dan wordt er op blokfluit en piano muziek gemaakt. Deze verbindt de vorige tekst met het verhaal van Lucas, dat klinkt als nooit tevoren. Oosterhuis heeft het daaropvolgende lied `Levenslang' niet bij Lucas 15 geschreven. Toch past een fragment als `de liefde keerde, zag mij, bracht mij drank en spijze, deed mij opstaan uit de dood', wonderwel bij de vader die uitroept: `Laten we eten en feest vieren, want mijn zoon hier was dood, en is weer levend geworden'.
Tijdens de overweging krijgt het schilderij van Braque een duidelijke plaats als verbinding tussen (stevige) exegese van Lucas en de woorden van Almitra. Ik vind dat kunst dikwijls de dieptedimensie van menselijk leven zichtbaar maakt, confrontatie zoekt, een spiegel voorhoudt. Gezien de aandacht tijdens de preek en de reacties later op de dag, is dat tijdens deze viering ook zo. Na de overweging is het een tijd lang stil. Dan komen de kinderen terug. Nog eer zij er zelf zijn, golft hun opgetogenheid binnen. Met hun gekroonde hoofdjes drommen ze om mij heen. Ze laten de kronen voor het bruidspaar zien. Ik wil weten wat erop staat. Eigenlijk vinden ze dat `maar een domme vraag. Maar ze willen mij best ter wille zijn. En zo somt de een na de ander op: Ik vind jullie lief; lang leve het bruidspaar; houd goed vol; het is feest vandaag; mijn cavia is ook lief; hallo!Zeggen dat het goed is
Vervolgens staat het bruidspaar op, en gaat tegenover de gemeente staan. Twee goede vriendinnen naast hen. Voor de rest van de dag treden de twee op als ceremoniemeester. Nu hebben zij de ringen bij zich. Ook de kinderen met de kroon komen aanlopen, gaan schuin achter bruidegom en bruid staan, en houden met een dunne stok de kroon omhoog. Op mijn verzoek gaat de gemeente staan. Als voorganger voeg ik mij in de eerste rij, en zeg onder meer: `Vandaag vragen jullie om bevestiging van je huwelijk in deze kring. Daartoe zegenen wij jullie. Zegenen betekent immers: `zeggen dat het goed is wat je doet'; goede wensen uitspreken als een kroon op jullie belofte. Ik nodig jullie uit tot een woord van trouw'. Dat doen ze met naar elkaar toegekeerd gezicht. Wanneer de ringen zijn overhandigd, kom ik naar voren, en houd mijn hand over hun in elkaar gestrengelde handen. Ik zeg: `Behoed de liefde van deze twee geliefden. Geef hun de tijd om elkaar te kennen en te troosten. Blaas hun hartstocht aan; maak hen geduldig en bijna oneindig lief, dat zij het leven doorkomen met elkaar'. Zo blijven wij even staan. Ik kijk hen aan, en zie hoe zij geraakt zijn.
Nu zingen koor en gemeente bij wijze van bevestiging het lied waaraan deze zegen is ontleend. Een vertegenwoordiger van de gemeente spreekt een gelukwens uit, en overhandigt een prachtige trouwkaars met daarop het vogelmotief van Braque. De twee ontsteken de kaars aan het paaslicht, en zetten daarna de kaars op tafel. Wanneer de mededelingen voorbij zijn, en de collecte voor een project van de vastenactie aan de gang is, ervaart iedereen dat als een moment van ontspanning. Ik maak even een praatje met bruidegom en bruid. De viering verloopt uitstekend, vinden ze. De bruidegom laat mij weten dat hij zich in de viering herkend en erkend voelt.Op water en brood
Intussen dragen kinderen Turks brood op een grote schaal van aardewerk aan. Ook water in glazen bekers. `Op weg naar Pasen delen we met elkaar water en brood', zegt het tafelgebed. `Eens, tijdens de tocht van veertig jaar, leidde de Onuitsprekelijke, onze God, de mensen door de woestijn. In dat land zonder water stroomde het water uit de harde rots. Onverwacht(s) water, puur water, water dat leven geeft. Manna was er, het dagelijks brood, voedsel voor onderweg (...). Gedenken wij die tocht, hier, nu, deze veertig dagen op weg naar Pasen. Opdat het weer opnieuw onze weg zal zijn'. En daarna zingen allen `Wiens brood zullen wij eten?', een lied van Herman Verbeek.
Dan volgt het delen van water en brood. `Iedereen die wil meedoen, is van harte uitgenodigd. Maar voel je niet bezwaard als je liever blijft zitten', zeg ik. Mensen komen naar voren, laten elkaar drinken van het water. Twee kinderen breken van het brood, en delen dat uit. De bruidegom blijft zitten, en ook een gedeelte van de gasten. Als laatsten in de rij het koor en de voorganger. Dan, na een korte stilte, volgen de gebeden. Eerst zegt de bruid, daarna de bruidegom, wie zij willen gedenken: `Allen die een soortgelijke beslissing namen; lallen die elkaar toch niet konden vasthouden; allen die hun levensgezel verloren in de dood; allen die ervoor kozen alleen door het leven te gaan; allen wier genegenheid niet werd beantwoord'.
Daarop gaan allen staan voor de zegen. Ik houd mijn handen om het licht van de huwelijkskaars, en zeg: `Vlam van ons leven. verlicht ons. Dat wij zien wat is, en ons toevertrouwen en het licht niet haten. Dat wij van deze wereld een plek maken om te wonen, een plek van vrede' (vergelijk Zacharia 6, 9-15). Met een veelstemmig `Uit staat en stand en wijsheid losgewoeld' beëindigen gemeente en koor de viering. Onder het laatste couplet komen de kinderen om schalen en bekers mee te nemen.
Het is ongeveer tien minuten over twaalf, wanneer gemeente, bruidspaar en gasten de ruimte gaan verlaten.Stap voor stap
Deze viering en de voorbereiding erop heb ik als voorbeeld genomen om een methodiek open te leggen, ontstaan vanuit een praktijk waarin het begin en soms het einde van een homo- of hetero-relatie gevierd wordt. Al dan niet in kerkelijke context. Centraal staat het verschil waarin het gemeenschappelijke naar voren komt: de eigenheid van mensen die (hun relatie willen vieren en) hun plaats in de samenleving zoeken.
De methodiek maakt mijzelf en de mensen met wie ik werk, stap voor stap duidelijk welk doelen en uiteindelijke doelstelling we wil len bereiken. en de mogelijkheden daartoe. Ook legt zij onze visie en de praktijk van ons handelen bloot. Deze methode legt niets op, maar ontstaat vanuit vraag en tegenvraag. Daarbij blijkt een structuur te zitten die in het begin niet altijd duidelijk is.De vraag is dan of ik naar het ongekende durf te zoeken, of ik fouten durf te maken, of ik individuele kwetsbaarheid kan omzetten in gezamenlijke kracht en betrokkenheid.
Zonder een gedegen methodiek op basis van een andere praktijk kun je al gauw in particularisme vervallen, waarin niets gemeenschappelijks te delen is. De methodiek voorkomt dat ik allereerst op zoek ga naar werkvormen: naar een leuk gedicht, een verhaal, naar een passend lied, naar de kleur van bloemen. Werkvormen ontstaan in de praktijk, aan de hand van het levensverhaal van partners of de groepmensen rondom hen. Daarom zijn deze vieringen ook niet zomaar na te doen.Past de klassieke liturgie het algemene toe op het bijzondere, ik begin aan de andere kant. Soms kom ik dan uit bij riten en gebaren die ik elders ook aantref. Maar .dit gebeurt dan niet op verantwoordelijkheid van mij als pastor, maar door de eigen keuze van de partners en de verantwoordelijkheid die zij daarvoor willen nemen ten aanzien van de gemeente. De methode werkt dus zowel inductief als deductief. Het spanningsveld daartussen maakt veelvormigheid in de liturgie mogelijk. Deze is inclusief, en niet uitsluitend voorbehouden aan een ambtelijk voorganger.
Op zoek gaan naar symbolen en rituelen vereist de zelfde methodiek. Wat mensen beweegt, muziek, teksten, voorwerpen die in hun leven van betekenis zijn: dat alles kan vindplaats zijn.
Natuurlijk kost dit tijd. Tijd om te zoeken, te praten, helder te krijgen wat iedereen beweegt. Vraagt een andere manier van vieren niet om hernieuwde inzet en toerusting?JOSÉ .J.G. GÖRTZ O.P.
De Horst 17, 7491 GV Delden
(in samenwerking met Jeannette Niemeyer)