KAPELLEN TE EVERBERG Tekst : Evarist Maes
Foto's: Louis CludtsOnze Germaanse voorouders vereerden Wodan en zijn Asen aan bijzondere bomen in het woud. De eerste christen geloofsverkondigers in ons land hakten deze bomen om tot grote woede dikwijls van de bevolking. Gregorius dle Grote, paus van 590 tot 605, was zeer pragmatisch aangelegd. Hij liet aan de bomen nissen met beelden van heiligen hangen, zodat de verering van de bomen veranderde in een heiligenverering. Zo'n houten nissen aan de bomen alsook kleine gebouwtjes met een nisvorminge opening noemt men nu kapellen. De naam kapel komt voort van het latijnse woord "capella", een verkleinwoord van "cappa", in onze taal mantel, oorspronkelijk de kapel waar de mantel van St-Martinus van Tours werd bewaard, de patroonheilige van Everberg. Ook een kruis, het christelijk symbool bij uitstek werd gebruikt om sommige plaatsen een gewijde betekenis te geven. In Everberg is dit laatste de oudste bekende vorm van zo'n bijzondere christelijke bidplaats.
Kruis op het Aalmoezendal
Te Everberg noteerde men in 1349 "...dat cruesken op broeckhove. Wi scepenen van eversberghe om beden wille...". Dit kruis stond op de oostelijke hoek van de Sterrebeeksesteenweg en de Everslaan. Op 17/10/1396 had men het er opnieuw over en men schreef: "...tussen het bosch ende de wech die gheet van rommouts radewaets cruus ten aelmoesdale waert...". Dit geeft dan een aanduiding dat het kruis werd opgericht ter nagedachtenis van Rombout Radewaerts op de plek waar hij was omgekomen bij een of ander ongeval, een ongelukskruis dus. De naam Radewaerts is een variante van de naam Rademakere. Onder de namen van de ridders van Everberg vindt men in 1255 deze van "Arnoldus de Eversberga, dictus de Rademakere" die toen in het Armendal veel goederen bezat en er een deel afstond aan de abdij van Kortenberg. De aflijvige Rombout Radewaerts was zeker hiermee verwant, behoorde tot de vooraanstaanden van het dorp en heeft daarom een gedenkteken gekregen op de plek van het ongeluk. Dit kruis bestond nog in 1628 want menn schreef toen: "...Cruijs op d'armendelle...". Daarna wordt het nog in 1645 vermeld. Ook de huidige Kruisstraat dankt haar naam aan het gedachteniskruis volgens een beschrijving uit 1474 alzo: "de strate die vanden cruijsweghe gaet daer de moije te woenen plach ende van dair ter Banckstraten voerscreven...".
Slotkapel
![]()
Het slot van Willem van Montenaken zoals het
rond 1400 werd opgericht met in het midden de slotkapel.
Volgens een tekening van Gramaye uitgegeven in 1608.Willem van Montenaken, meier van Tienen, bouwde omstreeks 1400 te Everberg een waterburcht op de Bruul, op de plek waar nu het kasteel van de prinsen de Merode staat. Dit slot had een eigen kapel en men kan dit vaststellen op een tekening van Gramaye uit 1608 waarop de burcht is afgebeeld in haar toen nog oorspronkelijke staat. Karel Filip de Rubempré, graaf van Vertaing, overleden op 15/05/1707, was gehuwd met Maria Anna van den Tymple, gravin van Autreppe en weduwe van Willem Karel Frans, graaf van Wakken. Ingevolge dit huwelijk werd ten huize vande graaf van Autreppe naar Everberg overgebracht, en deze toelating was alzo opgesteld: " 14 Maij 1644 a S.P. Urbanus VIII, pontificatus anno 21 concessum fuit oratorium, tam in oppido Bruxellensi quam aliis locis diocesis Mechliniencis ubi domus temporalis est, Comiti de Autreppe, de Ordinarii licentia ejus arbitrio ducatura; una Missa pro uniquoque die, exceptis aliquibus diebus nisi in casu infirmitatis, in hoc casu une persona inserviens non dibebat Missam audire in ecclesia."
In 1770 werd de fundatie van O.L.Vrouw der Zeven Weeën, ook het officie of beneficie van Chièves genaamd, van de Leuvense St-Kwintenskerk naar de Everbergse slotkapel overgebracht. De collatie te Everberg werd toevertrouwd aan de kasteelbezitters, op dat ogenblik mevrouw de gravin de Lannoy. De bedienaar van de nieuwe kapelanij was in 1787 de toenmalige coadjutor Matheus Jozef van Damme, dus medepastoor van de toenmalige titularis pastoor van Everberg, Jan Baptist Bouwen. In een verslag van 21/04/1787 schreef coadjutor van Damme over zijn ambt het volgende: "Moet lesen vijf missen per weke maeckt samen twee hondert sestig missen per jaer dewelcke moeten gelesen worden op 't Casteel volgens goedvinde van de Colatrix." Hij ontving hiervoor 107 gulden 15 stuivers en een oord en daarbij een rente van zeven guldens. Als vroegere bedienaars van de slotkapel waren er Johnnes Daems die stierf te Mechelen op 29/03/1714 en Egidius Creijtsaerts, een geboren Everbergenaar, overleden te Brussel op 31/03/1760. Deze laatsten werden begraven in de kerk van Everberg.
Graaf Amamury de Merode liet omstreeks 1845 het kasteel verbouwen waarbij he tzijn huidig uitzicht kreeg. De huidige slotkapel werd ondergebracht in het gebouw noordwaarts gelegen van het kasteel. Ze is toegewijd aan O.L. Vrouw van Scherpenheuvel en werd rond 1908-1909 volgens de plannen van Flaveau herbouwd. Graaf Amaury was ongehuwd en viel van zijn paard te Leefdaal in 1854. Hij liep hierbij een schedelbreuk op en werd krankzinnig tot aan zijn dood te Versailles in 1884. Om zijn genezing van God af te smeken, deed pastoor J. Vanden Eynde de H.Sacramentsprocessie langs het dorp met alle parochianen naar het kasteel gaan waar dan de zegen met het Allerheiligste gegeven werd. Het bleef hier niet bij en elk jaar ging de kleine processie, zoals ze in de volksmond werd genoemd, naar het kasteel met de zegening der gelovigen, totdat pastoor R.Vandoren de processie in 1966 heeft afgeschaft.
![]()
Het huidig zijgehouw (noordwaarts) van het kasteel
met bovenaan het torentje van de huiskapel.
Zwart Kruis
Graaf Amaury de Merode was de zoon van graaf Werner de Merode en van gravin Louise Victoire de Spangen-Uyternesse. Graaf Werner de Merode werd onwel in het bos op 2 augustus 1840 en zakte ineen. Het staat alzo beschreven in de overlijdensakte van de gemeente Everberg : "...overleden te twee uren naermiddag op zijn kasteel". Zijn laatste woorden waren: "souvenez-vous, mon fils, notre premier devoir est celui de l'exemple". Op de plek van het ongeluk in het Warandebos waar de Helleweg de Wasbeek kruist, werd een gedenksteen opgericht met een kruis erin gebeiteld, dat in de volksmond het zwart kruis genoemd wordt. Op de steen is de volgende tekst aangebracht:
"En pieux souvenir
de Jean Baptist Werner Ghislain
Comte de Merode, frappé ici de mort
subite le 2 août 1840
dans les bras de son fils le Comte Louis
de Merode.
Notre premier devoir est celui de
l'exemple".
Kluiskapel
In de zeventiende eeuw was er in het Warandebos een kluis. Als men heden nog aan de nog steeds bestaande ijskelder de heuvelkam dertig meters verder westwaarts opklimt, dan staat men boven voor een tweede ronde top, die de vorm heeft van een omgekeerd theekopje. Onderaan aan de voet meet deze ongeveer zes meter doormeter, en op een drietal meters hoogte beland men op een rond platform van circa twee meter doormeter. Deze top is begroeid met struiken. Dit is de puinhoop van de vroegere kluis.
Zuidwaarts tegen deze terp is de bodem driekwart ingezakt en dit is de plek waar de kluis vroeger stond en de aarde kwam om de puinhoop te dekken. Op de bodem kan men kleine leischilfers van het schaliëndak der kluis vinden, en in de puinhoop bevinden zich grote, op hout gebakken voetstenen. Een waterput bezat de kluis niet wegens de steenachtige ondergrond. Meer dan waarschijnlijk gingen de bewoners het nodige water scheppen aan de wat verder noordwaarts gelegen Wasbeek.
De kluis werd opgericht omstreeks 1630 en was eigendom van de prinsen de Rubempré, die telkens hun toestemming gaven als een kandidaat eremijt zijn intrede deed. De eerste kluizenaar was Jan de Vos die in 1671 overleed. Hij werd in de kerk aan het dwarsschip begraven en op zijn zerk stond het volgende te lezen:
" hier lijdt begraven broed-
der Jan de Vos eremijt
geweest 40 Jaeren
Sterft in de hermitagie van Everberge
op..... dach
A° 1672 ...bidt
voor de ziel."Reeds tijdens zijn leven had broeder Jan de Vos enkele gezellen bij gekregen want in 1660 noteerde men: "In reclusario eremi sepe sunt novi habitatores". De stichting zelf stond niet gunstig aangeschreven bij de geestelijke overheid. De landdeken van Leuven bracht in 1660-1668 een ongunstig verslag uit waarbij hij wees op de menigvuldige veranderingen van bewoners in de kluis. Deze waren volgens hem meer belust op persoonlijk winstbejag dan op de dienst van God. De oorzaak lag volgens de landdeken in de wijze van recruteren waarbij de Kerk maar een ondergeschikte rol vervulde. Om orde te brengen aan die wantoestand zou men niemand meer aanvaarden tenzij met de toestemming van de hogere geestelijkheid. De kandidaturen werden dan ernstig onderzocht en een toestemming werd slechts gegeven na gunstige inlichtingen bij de lokale geestelijkheid. De kluis had ook een kapel, toegewijd aan Sint Antonius, waar ook missen werden opgedragen, zoals in de slotkapel, volgens een verslag van 15/05/1688 waaruit het volgende: "unum est oratorium in castello principis de Rubempré cum altare in quo celebratur, una est capella sine altari et omere, altera est capella iuncta ermitago cum altari in quo celebratum fuit.".
In 1670 vroeg Hendrik Couchart, een Everbergenaar, een plaats als kluizenaar aan. De pastoor van Everberg, Petrus de Pijpere getuigde dat hij de kandidaat goed kende zijn jeugd steeds zijn biechtvader geweest was. Martinus vander Straeten, pastoor van Meerbeek gaf een gunstig advies en Willem de Metser, pastoor van Leefdaal sloot zich daarbij aan.
Van op het vicariaat te Brussel kwam op 18/06/1670 het antwoord dat de aanvragen : "... soude mogen beginnende proeve daertoe staende onder de directie vanden Heere Pastoir van Meerbeke ende met de dependantie aenden Eremijt nu over veel jaeren bewoont hebbende de Eremitage opgericht in het bosch van de voors. Heere Grave, ende allessins onder de overheyt van den Ordinaris." Broeder Hendrik Couchart stierf te Leuven in het gasthuis op 09/02/1688 en werd twee dagen later op het kerkhof te Everberg begraven.
In 1694 woonde er ook een priester in de kluis, pater Antonius Bodelle, die er de mis opdroeg en als geestelijke leidsman fungeerde. Er was toen plaats voor drie eremijten in de kluis. Laureis Verachter solliciteerde dan en het werd hem toegestaan met de raad: 'Hem alsoo eerelijck ende deughdelijck te comporteren sonder obligatie van wegens den Heere iet daer toe te moeten geven ofte furneren, ende voor soo lanck als hem gelieft."
In 1727 noteerde de pastoor van Everberg, Martinus Wuydts, dat de kluizenaar Nicolaas Vander Poelen, de enige parochiaan was die dat jaar zijn paasplicht verzuimde. De parochiale registers vermelden ook volgende kluizenaars: Petrus Vander Meeren, gestorven op 05/09/1733, Arnoldus Tirnmermans gestorven op 14/12/1744 en Petrus Hassinck overleden op 14/04/1760. Allen werden op het kerkhof begraven.
Op 14/09/1693 stierf Jacobus van Buren, een weduwnaar, als kluizenaar en werd op 28/09/1693 begraven. Daarop begon op 30 Juni 1694 Nicolaas Creijtsaerts, gedoopt op 22/10/1656, zijn loopbaan als kluizenaar, doch stierf reeds in October 1694. Hij was de zoon van anna Ruydts (+17/09/1708) en van Lambrecht Creijsaerts. Deze laatste was te Everberg schepen, schoolmeester, koster en grafmaker. Over het overlijden van Lambrecht noteerde men het volgende: " Lambertus Creijtsaerts, custos hujun parochiae plus quam 50 annis, inventus est mortuus in turri a gradibus cecidesse 11 Decembris 1706, sepultus est in cementrio 13 ejusdem..." Lambrecht Creijtssaerts, toen 50 jaar koster, verongelukte in de kerktoren op 11/12/1706. Hij was van de trap gevallen toen hij het uurwerk ging opwinden en werd dood gevonden onder in de kerktoren. Koster Creijtsaerts was dus een echte pechvogel! De laatste bewoner van de kluis was geen eremijt en volgens pastoor J. Bouwen, die een familieregister aanlegde, woonde er omstreeks 1790 Augustinus Robertus Noël : " ex... / chasseur, provost et uxor". Daarmee kan men met zekerheid zeggen dat de kluis in de negentiende eeuw gesloopt werd.
Kapel van O.L.Vrouw van Scherpenheuvel
Deze kapel is eveneens gelegen in het Warandebos, een honderdtal meters westwaarts van de vroegere kluis, waar de bosweg zuidwaarts naar de Bankstraat keert.
Volgens de militaire kaart ligt ze op een hoogte van 60 meters boven de zeespiegel. De kapel werd al vermeld in 1783. In 1806 was er een mis ter ere van het "O.L Vrouw van Scherpenheuvel Capelleken". In 1837 ontving Peter De Coster een gulden en tien stuivers voor herstellingen aan het Scherpenheuvelkapelletje. Het was toen een houten constructie, waarschijnlijk een staakkapel, en daarom staat zij niet aangeduid op de kaart van Popp in 1840. De huidige kapel werd gebouwd tussen 1856 en 1860 in opdracht van Graaf Charles Antoine de Merode. Hij was gehuwd met prinses Marie d'Arenherg en had twee dochters. Graaf Charles Antoine beloofde een kapel in zijn geboortedorp op te richten ter ere van O.L.Vrouw, indien zijn huwelijk gezegend werd met een Zoon. Een jaar later werd zijn zoon, Henri de Merode (1856-1908) geboren. Kort daarop werd uit dank de huidige kapel gebouwd ter ere van O.L.Vrouw van Scherpenheuvel.
De familie de Merode behoorde toen tot de vooraanstaande katholieke adel. Onder haar leden telde men Xavier de Merode (1820-1874). Hij was eerst luitenant in het Franse leger, werd priester en vervolgens minister van oorlog van de Pauselijke Staten. Daarna werd hij aalmoezenier van Paus Pius IX en vervolgens aartsbisschop van Milene.
O.L.Vrouw van de kerselaar
In het jaar 1609 zijn er twee vermeldingen over een kapel te Vrebos. De eerste van 27/01/1609 luidt als volgt: "gelegen inde prochie van Everbrghe op Vrebosch op het velt geheeten het Voerenpoel velt reghnenooten den voetpad loopende nae Loven aen Onze Lieve Vrouwen Kersseleer...". De tweede aantekening dateert van 04/07/1609: "gelegen inde prochie van Everberghe op Vrebosch op het velt daer het Onze Lieve Vrouwen belt aenhangt... " Het betrof hier twee stukken land, elk anderhalf dagwang groot, die aan elkaar paalden, met op de scheidingslijn een kerselaar met het beeld van O.L.Vrouw. In 1649 en 1672 werd het beeld ook vermeld. De laatste aantekening hierover dateert van 1686: "... drije daghwanden een half landt gelegen aan het lieve vrouken...". Aan de hand van zekere gegevens kon de juiste ligging van de kerselaar teruggevonden worden. Hij stond aan de Madam in het Voerpoelveld. Als men de huidige Doelstraat vanuit de Vrebosstraat opgaat heeft men aan de noorderkant vier electriciteitspalen. Rechtover het huis met het nummer 14 staat de derde, een houten paal met een plaatje erop met het nummer 432, tegen de grens van de percelen nummers 77 en 76 van de kaart van Popp.
Het is hier op deze plaats tegen de noordzijde van de Doelstraat dat de kerselaar met het beeldje heeft gestaan. De benaming Madam is afkornstig van een vroegere eigenares, Elisaheth van Grave, weduwe van.Jan de Mol die ook het Mariabeeld liet plaatsen.
Het beeld werd er geplaatst ter nagedachtenis van Hendrik de Mol, zwager van Elisabeth van Grave. Deze zou ingevolge een slepende ziekte, ongehuwd en voortijdig sterven rond nieuwjaar 1609. Elisabeth van Grave huwde de broer van Jan de Mol en was al weduwe in 1610. Zij werd jong weduwe en is niet meer hertrouwd. Haar testament werd verleden op 14/10/1610 en na haar dood uitgevoerd in 1657. Een van de bepalingen was dat men na haar overlijden vijftien jaar lang, telkens op haar jaargetijde op de zesde October, drie arme mensen te Everberg in het nieuw moest steken, hetzij mannen, hetzij vrouwen. Dit was geen kleine gift! Bij de familie de Mol overleden binnen een periode van twee jaar twee broers, Hendrik en Jan de Mol. Hun vader, joncker Jan de Mol, weduwnaar van Anna Vesalius (+1595) leefde toen nog, alsook hun grootmoeder Anna van Hamme, weduwe van Andreas Vesalius (+1564) die hertrouwd was met joncker van der Meeren. Elisabeth van Grave overleed kinderloos. Met het overlijden van de twee gebroeders de Mol verdwenen de laatste rechtstreekse afstammelingen van Andreas Vesalius in onze streek. Joncker Jan de Mol was voorbestemd om als geestelijke door het leven te gaan. Hij was eerst "theologant", dus seminarist, zoals hij in 1608 beschreven werd. Maar door het vroegtijdig overlijden van zijn broer Hendrik moest hij zijn studiën staken. Door zijn huwelijk met Elisabeth van Grave zou hij het verder bestaan van het geslacht verzekeren. Het zou helemaal anders uitdraaien!
Kruisborre
Van aan de Madam in de Doelstraat loopt een lange weg, Lange Paal genoemd, (nu wat verder onderbroken door de autobaan) naar het oosten, die eindigt aan de Rosberg- en Kruisborrestraat Wat verderop waar de Boeiendaalstraat naar de Everberg draait staat het kapelletje van Kruisborre. De Kruisborre waarvan hier sprake, is de waterput van het vroegere Boeiendaalhof, verdwenen omstreeks 1590. Het kruis in Boeiendaal is een ongelukskruis dat werd opgericht ter nagedachtenis van Jan de Mol, gehuwd met Elisaheth van Grave, die overleed in 1610.
Daar de waterput al eigendom was van de familie van Grave, kon men hier zonder moeilijkheden een kruis oprichten. Al in 1615 werd er geschreven over de processieweg van Everberg, in 1639 komt de benaming Kruisborre voor in de oude registers en in 1639 spreekt men over een "capelleken". Dit laatste staat ook aageduid op de kaart van Ferraris in 1771.
De familie van Grave had in de zestiende eeuw te Everberg het leenhof van Ranst in hun bezit gekregen. Dit wordt ook dikwijls het Hof van Grave genoemd. Hierbij hoorde een speelhuis in de Kwikstraat waar nu Leo Poels en er naast Ernest Gillioen hun eigendommen hebben. Naast het speelhof verderop naar Meerbeek toe waar nu de woning staat van weduwe Colson, omvatte hun goed een grote boerderij genoemd de Rode Poort. In 1566 is Claes van Grave eigenaar van het goed. Hij was een afstammeling van Raas van Grave die in 1288 in de slag van Woeringen sneuvelde als vaandeldrager van Brabant en deze man is een voorouder van onze huidige koning Albert II. In de middeleeuwen waren er verscheidene leden van het geslacht van Grave burgemeester van Leuven. Door vererving ging het goed in 1697 naar baron Justus Filibert van Spangen, heer van Herent, en gehuwd met Maria Anna van Grave. In de negentiende eeuw was de kapel, eigendom van Hendrik de Bruyn, gehuwd met Elisabeth Stie, koster van Everberg van 1812 tot 1844. Vervolgens kwam de kapel in handen van de familie Vangramberen, waarvan Victor Vangramberen (1885-1970) deken van Zaventem werd.
De Borreput zelf werd gedempt omstreeks 1880, wanneer waarschijnlijk ook het huidig gebouwtje werd opgericht.
Aan de kapel van Kruisborre zijn verscheidene legenden verbonden. De eerste is deze van een soldaat die hier een gewijde hostie spuwde en waar later op wonderbare wijze een kruis groeide. Ze lijkt als twee druppels water op die van het mirakuleus kruis Asse. De legende werd, bij manier van spreken, overgeplant naar Everberg door pastoor Daelemans, en zijn onderpastoor Jules De Pauw. De eerste was afkomstig uit Zellik, de tweede van Merchtem, dus beide uit de streek van Asse. De tweede legende gaat over het uitgraven van de horreput in de negentiende eeuw. Men had de put helemaal uitgegraven, maar de volgende dag lag hij terug helemaal dicht, hoewel de uitgegraven aarde er naast lag. Opnieuw werd de waterput uitgegraven, maar de volgende dag was de borre weer dichtgegooid. Er was geen beetje aarde langs de zijkant blijven liggen. Dit was een mirakel God wou hier geen borre en men bouwde er een kapel die nog altijd bestaat. Deze legende spreekt de eerste versie van het ontstaan van een mirakuleus kruis dus tegen. Ze is ook in. strijd met de oude registers waar men in 1639 de naam "Kruisborre" noteerde en in 1688 over een "capelleken" schreef. De derde legende is die van het onweer. Als er donderwolken boven Kruisborre drijven splitsen zij zich altijd in twee. De ene helft drijft naar het oosten en de andere helft zakt naar het westen.
Te Everberg was er al vanaf de middeleeuwen een mirakuleuis kruis. Het bevond zich niet in een kapelletje maar wel in de kerk. Bij de dekanale bezoeken te Everberg noteerde men in 1660 het volgende: "ecclesia hic est parochi Sancti Martini consecrata, in qua propter crucem in summi atari hahitam pro miraculosa specialiter Sancta Crux collector ". Heden wordt er in de kerk nog altijd een relikwie van het H. Kruis bewaard. Vroeger had men de processie van het H. Kruis, in de volksmond de grote processie, die uitging op de zondag na 5 mei, de Kruisvinding. Deze gewoonte bestond al van in 1615. De zegen met het Allerheiligsie werd driemaal gegeven, eerst aan Boeiendaal, Kruisborre en dan aan de Ziptkapel. Tot aan het bestuur van pastoor De Cleyn T. werd dan tevens de klok geluid om thuisblijvers ervan te verwittigen. Telkens de fanfare Te Velde blies bij de zegen, kon men dit op de kerktoren horen en werd er met de klok geluid zodat oude en zieke mensen daarmee wisten tot waar de processie al gevorderd was.
Het Ziptkapelletje
Op de hoek van de Molenstraat en de St. Huibrechtsweg staat de oude afspanning St.Antonius waar nu het gezin Marcel Steurs woont, en die vroeger zich verder oostwaarts uitstrekte tot op de hoek tegenover de Ziptstraat. Op deze hoek stond een kapel die op de kaart van Ferraris in 1771 en ook op deze van Popp in 1840 staat aangeduid. De kapel stond waar nu Martine Colson woont in de Molenstraat 114. Dit huis hoorde vroeger toe aan de familie Cludts, en is het geboortehuis van Lodewijk Cludts, die als late roeping in 1966 werd priester gewijd. Deze kapel was toegewijd aan O.L.Vrouw en werd op16/11/1649 alzo vermeld: "Andries- vander Merck ende Cathelijn Thielmans ... ende Joos vanden Inden sone wijlen Jans daar moederaff is de voorgeschreven Cathelijne Thielmans ... hebben vercocht aen Guillaume Boschmans ende Anna Creijtsaerts een half dachwanden ghelegen ... de Anthonis daer jegenwoordlich is opstaende O.L.Vrouwe capelleken comende ... metter eenre zijde aenden Erffweg gaende van Brussel naer Loven...". In 1706 is Petrus Keyaerts er de eigenaar van. Volgens een verslag van de pastoor van Everberg omstreeks die tijd was het een kleine kapel, zonder altaar en met weinig lasten.
In 1840 werd ze eigendom van de weduwe Engelbert De Busscher en haar dochter Jeanne Marie. Dezen woonden aan den overkant in een boerderij waar nu in de Molenstraat het huis met het nummer 103 zich bevindt en waar tot voor een paar jaar Leonie De Busscher heeft gewoond. De kapel was bouwvallig geworden en werd in 1905 afgebroken en in 1907 wat verder westwaarts tegenover de afspanning St. Antonius weer opgebouwd en toegewijd aan de H. Familie.
De kapel werd vroeger veel bezocht en vereerders offerden er nog al wat geld. Pastoor Martinus Wuydts en zijn kerkbestuur te Everberg sloten op 15 december 1713 er de volgende overeenkomst: "allen het welck oock sal geobserveerd worden aengaende de offerstocken van onze lieve vrouwe, ende van de capelle oft heilig huysken bij thuys s.Antonius genaemd. Alle de offerstocken sullen jaerlijckx op verloren maendag, maar gratis, geopent worden door de voornoemde persoonen publiekelijck met open deure opdat Ieder aldaer acces can hebben...". Verloren maandag is de eerste maandag na Driekoningen en werd vroeger fel gevierd en zelfs heden nog met het eten van worstbrood dat speciaal ter dezer gelegenheid wordt gebakken. Feestvieren en op zijn potten gaan kost geld. Het kerkbestuur van Everberg had zich daarop voorzien door de offerblok van het Ziptkapelletje dan te lichten. Het geld werd eerlijk verdeeld: "publieckelijck met opene deure" schreef de pastoor, zodat niemand bedot werd, en daarna kon het feest beginnen. Over aangepaste godsdienst gesproken! Dit verslag geeft betere inzichten waarom een klerk te Everberg op het eerste blad van een register in 1669 schreef:
"Een jaer bringt geld, Marleen
wij en hebben alsnu geen".
Sint Huibrechtskapel
Het huis Molenstraat 114 gelegen op de hoek tegenover de Ziptstraat waar het eerste kapelletje eertijds stond, werd door Cludts verkocht in 1972. Deze had er tevoren een nis boven de deur aan aangebracht met een beeld van O.L.Vrouw erin. De nieuwe eigenaar was een boswachter en omstreeks 1975 ruimde de O.L. Vrouw van de Verloren Maandag de plaats voor een beeld van St. Huuibrecht, patroon van de jagers en boswachters, dat er heden nog altijd staat.
Jezuseik
In 1731 noteerde men: "op 't hooghvelt regenoten Jesukes Eycke, groot...", het betreft hier dus een eik met een Jezusbeeld. Het was echter geen ongelukskruis dat men opgericht had, want dan zou men de naam van aflijvige voor wie het kruis werd opgericht, vermeld hebben. Het aangehaalde "hooghvelt", een eeuw vroeger beschreven als "hoyveldt" is het Schreiveld gelegen boven op de heuveltop tussen Leefdaal en Everberg. Vooraleer de autobaan in 1970 aangelegd werd had men de Hollestraat, die boven op de heuvel uitliep in de weg komende van de Vijfwegen en zo westwaarts naar Vrebos liep. Het is op de noordwestelijke hoek van de Hollestraat en de oude heerweg, een tiental meters noordwaarts hiervan, dat de aangehaalde Jezuseik vroeger stond. De ligging kon aan de hand van zekere gegevens teruggevonden worden. Meer dan waarschjjnlijk werd het beeld er geplaatst door de toenmalige pastoor Wuydts (+1732) vermits de eik op een stuk grond stond dat de eigendom was van de kapelanij van de H. Maria en St. Jan waarvan de pastoor de bedienaar was. Het is de enige vermelding van de Jezuseik die elders niet meer aan bod komt.
Kapel op de Kortenberg
Deze kapel staat, wat velen niet weten, op het grondgebied van Everberg. Vroeger liep de Kiewitstraat vanuit Kortenberg over de heuvel en eindigde op de Kruisstraat tussen de bakkerij van Scheys en de krantenwinkel van De Grave. Eertijds stond de oude kerk van Kortenberg, ook de bergkerk genoemd, op de zuidflank van de heuvel op het grondgebied van Everberg. Omstreeks 1773 werd deze kerk afgebroken. Op het vroegere kerkhof werd een kapelletje opgericht dat in 1799 vernield werd door de Fransen. In 1830 werd het terug opgericht door J.M.Gaethofs, pastoor van Kortenberg. Op 4 januari 1914 werd door de kerkfabriek van Kortenberg beslist om een perceel grond, gelegen te Everherg, ter plaatse "eyckelenbosch" genoemd (wijk D nrs 85 en 33,40 are groot) te verkopen tegen de prijs van 1.000 frank. In 1914 werd de kerk geïncorporeerd in de eigendom van Jules Leclercq zodat het niet meer toegankelijk was voor het publiek. Het kapelletje bestaat nu nog, maar is helemaal vervallen en verkrot. Het dak is ingestort, de deur is weg en er bevindt zich geen heiligenbeeldje meer in het gebouwtje.
![]()
Kapelletje op de plaats van de oude Bergkerk.
Kloosterkapellen
Van 1842 tot 1972 was er te Everberg een klooster van Annonciadenzusters gelegen in de Dorpstraat. Na de fusie met Kortenherg op 01/01/1977 werd de Dorpsstraat omgedoopt tot Annonciadenstraat. Ingevolge de opheffing van het klooster kocht de gemeente de gebouwen aan om ze tot gemeenteschool om te vormen.
Eerste kloosterkapel
In 1840 kocht gravin Victoire de Spangen-Uyternesse het oude Hooghuis van Pieter Leemans en liet het verbouwen tot een klooster. In 1842 kwamen er vanuit Veltem vier zusters: zuster Constance (+1864), de eerste moeder-overste, samen met de zusters Joanna, Josephina en Norberta. Het gebouw, gelegen schuins tegenover de kerk aan de zuiderkant der Dorpsstraat was wit geschilderd, telde een kelderverdieping, een gelijkvloers, een verdieping met daarboven een zolder en dak. Op het gelijkvloers werd in het zuidoosten de keuken gevestigd en daarboven op de eerste verdieping was de kapel. Beide lokalen waren dubbel zo groot als de andere kamers, en men had in een klooster zowel een keuken als een kapel nodig. De kapel werd boven de keuken aangebracht omdat dit groot lokaal in de zomer haast onbewoonbaar was wegens de hitte van de onderliggende keukenvuren. Zonder een kapel kon de kloostergemeenschap niet normaal fungeren, en ze was toegewijd aan O.L.Vrouw. In 1973 brandde het wit gebouw af en werd daarna gesloopt.
![]()
In de rechterhoek boven van het witte gebouw was de eerste kloosterkapel en
in de rechterhoek boven van het middenste gebouw was de volgende kapel gevestigd.
Rechts ziet men het gebouw van 1950. Toen was de kapel op het speelplein.
Tweede kloosterkapel
Vanaf 1864 tot 1903 was zuster Gabriella-Maria de moeder-overste, en het is vooral zij die het klooster vergroot heeft. In 1869 werd door aannemer Kenis een vleugel bijgebouwd, oostwaarts van het eerste wit gebouw en dit kostte toen 25.000 fr. Het was opgetrokken in rode baksteen en tegen de straatkant kon men onderaan de kroonlijst de bouwdatum lezen in de smeedijzeren ankers, alzo L'AN 1869. Het was ook onderverdeeld in een kelderverdieping, gelijkvloers, eerste verdieping en daarboven de zolder. Het was ongeveer een meter hoger opgetrokken dan het aanpalende wit gebouw. Op de eerste verdieping, eveneens in de zuidoostelijke hoek, werd een nieuwe kloosterkapel ondergebracht, eveneens toegewijd aan O.L. Vrouw. Dit lokaal was goed uitgerust om als bidplaats te dienen. Het was voorzien van mooie grote witte ramen en had achteraan een oksaal waar men met een harmonium de mis begeleidde die men er om de veertien dagen opdroeg. Het gebouw was voorzien van een zadeldak, en tegen de westelijke puntgevel was er op de nok van het dak een houten dakruiter geplaatst waarin een bel hing om de erediensten mee aan te kondigen.
Op een postkaart van vóór 1900 staat die goed herkenbaar op een foto. Dit torentje verdween omstreeks 1903. Dit kloosterklokje diende eveneens als schoolbel. Om 9u 's morgens en om één uur 's middags werd er eens goed geluid vooraleer de lessen begonen en de kinderen schoten dan op een loopje om nog tijdig in de klas toe te komen. De bouwkosten werden vooral betaald met de belangrijke giften van Remi Vrebos (+1885), hereboer uit het Haantje, een afspanning gelegen op de hoek van de Balling- en de Hollestraat. Hij schonk de zusters er nog bovenop een gouden remonstrans die toen 3000 goudfranken had gekost. Deze kapel bleef in gebruik tot in 1903 en het gebouw dient heden als school.
Derde kloosterkapel
Overste Gabriella-Marie liet in 1886 en in 1891 nog twee vergrotingen bijbouwen. waarin onderaan de drie klassen van de meisjesschool werden ondergebracht, en de kloostergebouwen strekten zich nu uit tot de zuidoostelijke straathoek. De aannemer was eveneens Henri Kenis, en voor het nodige geld werd beroep gedaan op gravin Thérèse de Merode, gravin van Trelon. Omstreeks 1900 maakte architect Langerock van Leuven de plannen voor een grote kloosterkapel in zuivere gotische stijl. Aan het oude witte gebouw, tegenover de zuidwestelijke hoek werd ze opgetrokken. Ze was gericht naar het zuiden en de noordelijke gevel stond gelijk met de zuidelijke gevel van het oude Hooghuis.
De kapel telde een gelijkvloers met allerlei kleine lokalen en daarop was een verdieping waarin de kloosterkapel was ondergebracht en voorzien van mooie gotische ramen. Boven de nok tegen de noordergevel werd een dakruitertje geplaatst met een kleine klok die als opschrift droeg: "Mij Gabriella deed Maria Gabriella gieten om driemaals daags te luiden: AVE MARIA 1903". Dit klokje heeft tientallen jaren meermaals daags het Angelus geluid. Toen het klooster in 1972 opgeheven werd namen de nonnen ze mee. De bouw alleen van de nieuwe kloosterkapel had 60.000 fr. gekost, zonder de nodige religieuze uitrusting. Het werd betaald met een belangrijke gift van de toenmalige pastoor J.F.De Voghel (±1902) en het geërfde fortuin van moeder-overste Gabriella-Maria afkomstig van een rijke boerenfamilie uit Schepdaal. De kapel werd toegewijd aan O.L.Vrouw.
![]()
Kloosterkapel van architect Langerock
(Zicht vanuit de kerktoren)Het is in deze kapel dat de latere pastoor-deken van Zaventem, Victor Vangramberen zijn eerste Heilige Mis opdroeg op 9 september 1908, en terzelfder gelegenheid zijn broer Florent, de latere burgemeester van Erps-Kwerps zijn eerste kommunie ontving uit de handen van zijn broer Victor.
De kapel werd gesloopt in 1975 samen met het afgebrande witte Hooghuis, en werd daarna een parking, aangelegd ten behoeve van de school.
Schoolkapel
Het kloostergebouw had onder zuster Gabriella-Maria (±1903) bijna zijn volledige omvang verworven. In 1948 heeft moeder-overste Maria-Scholastica (+1979) architect John Penninckx uit Veltem verzocht voor de plannen tot het oprichten van een feest- en turnzaal voor de school en eveneens voor een aanbouw aan de zuidkant van de vleugel gebouwd in 1869, om moderne wc's en een hijsstoel onder te brengen, om de zware lasten naar boven te brengen. Deze uitsprong grensde aan de klaslokalen en de oostelijke gevel kwam tegen de speelplaats der school. In deze oostelijke gevel was er een nis gebouwd waarin men in 1950 een mooi beeld van de H. Maria heeft geplaatst ter ere van het Heilig Jaar. Nadat de gemeente de gebouwen had aangekocht werden er vanaf 1975 belangrijke verbouwingen gedaan. Het gebouw werd overal op gelijke hoogte gebracht, een nieuw dak gelegd, en ook de nis verdween door ze toe te bouwen. Heden kan men op het speelplein der school nog altijd de contouren in de muur zien waar oorspronkelijk de nis werd gebouwd.
Bewaarschoolkapel
In 1886 werd door de zorgen van gravin Thérèse de Merode een bewaarschool opgericht die in twee klassen was verdeeld, gelegen aan het wegeltje dat loopt van de huidige Annonciaden- naar de Blokstraat en door iedereen gekend als het Kloosterbergje. Het gebouw bestaat nog steeds en heeft tot in 1998 gediend als Chirolokaal. Boven de deur van het oostelijk gelegen lokaal is er een nis met het beeld van de H. Theresia van Avila met er onderaan een gedenksteen ter ere van gravin Theresia de Merode die de bouw bekostigde.
Tuingrot
In de kloostertuin was er ook een grot ter ere van O.L.Vrouw van Lourdes. Zij werd opgericht met grillig gevormde zandstenen, die men uit het zavel nodig voor de bouw van de grote kloosterkapel had geraapt. Men heeft toen terzelfder tijd een soort namaakgrot van Lourdes gebouwd. Ze was gelegen legen de hoek van twee muren, op een tiental meters oostwaarts van de bewaarschool en ook een tiental meters ten zuiden van de kloosterkapel. Vele kleuters van Everberg hebben hier onder de leiding van de zusters hun eerste mariale liederen gezongen.
Tuinkapel
Bij het oprichten van de feestzaal heeft moeder-overste Maria-Scholastica in 1949 door aannemer Vital Aenspeck een kapel ter ere van de h. Familie laten bouwen in de kloostertuin. De kapel was gelegen tegen de afsluitingsmuur van het vroegere Betshuis. De laatste bewoonster hiervan was Maria Trappeniers en na aankoop door het klooster werd het gesloopt omstreeks 1930. Het Betshuis was zuidwaarts gelegen van de huidige turnzaal der school. De beide tuinkapellen verdwenen omstreeks 1975-1976 ingevolge de veranderingswerken uitgevoerd voor de school.
Door het vertrek der zusters was het bestaan ervan niet meer zinvol en heeft men ze laten slopen.
Boeiendaalkapel
Deze kapel is gewijd aan de zeven smarten van Maria. Jan Baptist Vandervorst (+1887) gehuwd met Theresia Tempier (+1893) heeft dit kapelletje laten oprichten in 1863 naar aanleiding van het overlijden van zijn elfjarige zoon. Oorspronkelijk stond het kapelletje een paar meter verder zuidwaarts op de straathoek. Maar in 1967 werd het verplaatst tegen de zijgevel van de schuur, haar tegenwoordige standplaats.
Wanneer in Everberg vroeger de "Grote Processie" rondging werd hier stilgestaan en de zegen gegeven. Joanna Paulina Vandervorst, een dochter van Jan Baptist en Theresia Tempier huwde in 1886 Ludovicus Penninckx van Vrebos, die van 1916 tot 1920 burgemeester was van Everberg.
Kapel aan den Hogenbos te Vrebos
Deze kapel is toegewijd aan O.L.Vrouw Troosteres der bedrukten. Ze werd in 1881 gebouwd door Guilielmus Penninckx en is gelegen tegen de Tervuursesteenweg, aan de rand van de Hogenbos, bijna boven op de steile helling genoemd de Bosberg. Guilielmus had vijf kinderen, waaronder een Theresia en een Franciska. Deze werden beide ziek in hun volle jeugd en hun moeder, negenenveertig jaar oud, kreeg een bloedaandrang, in de volksmond een geraaktheid. Om hun genezing te bekomen beloofde Guilielmus een kapel te bouwen, maar zijn vrouw en beide dochters stierven. Desniettegenstaande bouwde Penninckx dan toch het kapelletje aan de rand van de Hogenbos en het Voerpoelveld. In 1946 werd het kapelletje gerestaureerd. Na Guilielmus ging het kapelletje over naar Louis Penninckx en dan naar diens zoon Jules. Vervolgens ging het over naar Emiel Penninckx, vader van Andre Penninckx die in 1985 priester gewijd werd. Reeds vroeger was Victorine Penninckx als zuster Berghmans te Mechelen in het klooster getreden bij de Zwartzusters.
Het kruis van Virginie Desmet
In het jaar 1942 verongelukte Virginie Desmet met haar fiets beneden aan de Bosberg, een honderd meter buiten de Hogenbos en de Priesterendel, zuidwaarts van de Tervuursesteenweg. Haar ouders lieten een ongelukskruis oprichten dat achteraf verdween ingevolge de wegeniswerken aan de autosnelweg.
Tuinkapel van de villa Poets
Eleonora Van Langendonck (+ l945), de echtgenote van meester Poets had een neef Leon Laurent die priesler werd gewijd en later pastoor werd van Kerkom. Als rustend pastoor kwam hij naar Everberg bij zijn tante wonen in 1940, waar hij overleed op 2 april 1955. Hij liet een nis met een Mariabeeld aanbrengen in de westelijke omheiningsmuur langs de zijde van Hendrik Poels, in de huidige tuin van de pastorie. Het kapelletje met het beeld van O.L. Vrouw van Lourdes bestaat nog heden in 1998.
Kapel op de hoek van de pastoriemuur
Pastoor Johannes Franciscus De Voghel (+1903) was een bemiddeld man die op eigen kosten de pastorie liet vergroten op het einde van de negentiende eeuw. Ter gelegenheid van deze verbouwingen werd op de zuidoostelijke hoek van de omheiningsmuur, tegenover het gemeentehuis, een nis aangebracht met daarin een bronzen beeld van O.L.Vrouw. Bij het slopen van de pastorie in 1970 werd het beeld een dertigtal meters westwaarts verplaatst. De huidige nis is gemaakt van een vroegere deuropening, voorzien van een witte, zandstenen rondboog, in de omheiningsmuur van de nieuwe Pastorie, de vroegere villa Poets. Deze oude muur is een overblijfsel van een vroegere hoeve. Als bewoners eertijds had men 1658-1706 de koster Lambrecht Creijtsaerts, de man die in de kerktoren verongelukte in 1706. In een van de oude registers heeft iemand het volgende geschreven: "Le dit est celuy la ou estoit la maison du clerc Lambert Cretsaert, a present brullé". Als opvolger was er : "Anthoen Creijtsaert bij erffenisse over Lambrecht Creijtsaerts van huys en hoeve". Omstreeks 1900 woonde hier Petrus Craessaerts met zijn zuster Belo. Door aankoop in 1908 door meester Poets verdween de hoeve en werd de huidige villa gebouwd waar meester Poets in 1909 op pensioen ging.
Kapel in de Wolvestraat
Als men van de Prinsendreef de Wolvestraat inslaat heeft men op de zuidkant aan de eerste straathoek een woning met het nummer 31, waar in een muurnis een klein kapelletje ter ere van O.L. Vrouw is aangebracht. Dit kapelletje werd geplaatst door het echtpaar Debecker-Dewinter op het einde van de negentiende eeuw. Die hielden er toen een herberg open met als opschrift "In de Prinsendreef". Na hen ging het goed door vererving over naar Debecker Philomeen gehuwd met Verdeyen Frans en vervolgens naar de dochter Julia Verdeyen gehuwd met Vannetelbosch Willem. Dezen verkochten de doening aan Kamiel Van Cauter die er nog altijd woont.
Kapel bij Van Corenland
Op een blauwdruk van een kaart van Everberg, uitgegeven door het leger tijdens het Interbellum, staat op de troost een kapel aangeduid. Ze bevond zich in de omgeving van de woningen waarvan een betrokken werd door Guilielmus Van Corenland (+1948), gehuwd met Antoinnette Lambrechts (+1955) en het aanpalende huis door Jan Baptist Van Corenland (+1937) samenwonende met zijn zuster Maria Martina (+1950), beter gekend als Bernardine. Heden ligt dit goed aan de Vinkenlaan in de omgeving van de Tortelduivenlaan. Volgens navraag en opzoekingen had Jan Baptist een klein houten kapelletje vervaardigd met daarin een Mariabeeld geplaatst en dat nevens de weg aan een boom vastgemaakt, het kapelletje zou omstreeks 1950 verdwenen zijn. De familie Van Corenland was zeer vroom. Louisa Van Corenland, een zuster van Guilielmus, Jan Baptist en Bernardine, en hier op den Troost te Everberg geboren, was gehuwd met Victor Van Campenhoudt, de laatste "suisse" van Kortenberg. Ze woonden in een klein witgekalkt boerderijtje gelegen op de Kruisstraat schuins tegenover de Dorpelstraat en behoorden tot in 1893 bij de parochie van Everberg. In 1893 werden ze naar de parochie van Kortenberg overgeheveld. Hun zoon Louis Van Campenhoudt, geboren op 25/03/1887 was dus eerst een parochiaan van Everberg en was hier op de Troost goed thuis hij zijn familie. Hij werd priester gewijd in 1913 en ging als missionaris naar Nieuw Guinea van 1921 tot 1964 en overleed op 31/12/1970 te Bree.
Kapel bij Tuyaerts
Op de Troost was er nog een tweede kapelletje. Waar de huidige Everslaan doodloopt aan de autosnelweg stond tot omstreeks 1970 de boerderij van Leon Tuyaerts (+1955). Iets verder zuidwaarts in de bedding van de autohaan, liep er een wegeltje naar Sterrebeek. Bij het begin van deze voetweg stond er aan de rand van het bos een boom met een houten kapelletje met een Mariabeeld erin, geplaatst door de familie Tuyaerts. Dit verdween eveneens omstreeks 1970. De moeder van Leon Tuyaerts bleef als weduwe met zeven kinderen achter. Zoon Gustaaf werd priester en Dominicaan met als kloosternaam pater Macolinus. Een andere zoon, Prosper (+1970) werd eveneens priester en directeur der Sociale Werken voor Vrouwen te Brussel. Van de meisjes waren Louisa als zuster Cornelie, en Mathilde als zuster Leonie bij de Ursulinnen te Tildonk ingetreden.
Kapel aan de Borreput
Op de Troost was er maar ene waterput voor al de gezinnen samen. Naast de gemetste borre stond een tiental meters westwaarts een woning, en een twintig meters oostwaarts van de waterput was er eertijds nog een gebouw met een kelder onderaan. In de zuidergevel van dit gebouw was er een nis waarin vroeger een beeld van O.L.Vrouw heeft gestaan. Dit was oorspronkelijk de woning van het gezin Bernardus Van Corenland gehuwd met Elisabeth De Coninck. Op het einde van de negentiende eeuw was het vervallen en de kleinkinderen bouwden op jaarschaal het huis westwaarts van de borreput en de oude woning werd veranderd in een wagenhok. Toen de kleinkinderen later voor de keuze gesteld werden om boswachter te worden ofwel te verhuizen, trokken zij weg en gingen wonen aan de huidige Vinkenlaan. Als boswachter kwam Jozef Wauters, alias Jelke Jakkes, in het huis aan de waterput. Het oude gebouw met de kapel van O.L.Vrouw verdween in het najaar van 1945.
Steenhofkapel
Paus Plus XII verklaarde het jaar 1954 tot een Mariajaar. Het was een soort van heilig jaar maar dan in het bijzonder toegewijd aan O.L.Vrouw. Om dit Mariajaar bijzondere glans te geven, bouwde men te Everberg toen een nieuw Mariakapelletje aan het Steenhofwegeltje. De inhuldiging had plaats op 15 augustus 1954. Onder al de missen werd er een omhaling gedaan voor het dekken der onkosten. Na het lof om halfdrie was er een processie met het Mariabeeld langs de bijzonderste straten van het dorp. Die eindigde aan de boomgaard van L. Van Campenhoudt.
Daar werd volgens het programma het lied gezongen Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen dan de wijding van het kapelletje met daarna een toespraak door pastoor Th. De Cleyn en burgemeester R. De Coster, gevolgd met een lied gezongen door de B.J.B. jongens en meisjes.
Vervolgens kwam er een bloemenhulde met als slotzang "te Lourdes op de bergen". 's Avonds was er een verlichting aan het kapelletje. Als toemaatje had men daarbij een flinke regenbui, maar dat was niet voorzien in het scenario. Toen in 1979, onder pastoor R. Vandoren het vijfentwintig jaar bestaan van het kapelletje werd gevierd, gebeurde dit nu onder een blauwe hemel met stralende zon. De regenbui was toen niet meer van de partij!
Kapel aan de Vrijheidsboom
Tegenover de kerk werd aan de zuidkant der straat in 1930 een beuk als vrijheidsboom geplant. Een paar jaar later na de wijding van de Steenhofkapel werd er na een kerkelijke plechtigheid binst het lof om halfdrie en wijding door de pastoor, hier een houten kapelletje met Mariaheeld aan de Vrijheidsboom geplaatst. De inhuldiging werd besloten met een rede van de toenmalige onderpastoor Frans De Koninck en van de voorzitter van de B.J.B. jongens Frans Capuyns, gevolgd door het zingen van een paar mariale liederen. In 1997 werd dit kapelletje vernietigd door een verkeerd maneuver bij straatwerken.
St-Joriskapel
Volledigheidshalve wordt dit ter sprake gebracht. Te Everberg zijn er in de archieven geen stukken voorhanden over het bestaan van een St-Joriskapel. Sommigen beweren dat er omstreeks 1620 een kapelletje, toegewijd aan St-Joris heeft gestaan, op de plaats waar zich nu het kapelletje van O.L.Vrouw van Scherpenheuvel bevindt in het Warandebos. Het gaat hier ongetwijfeld bij vergissing over de St-Antoniuskapel van de wat verder gelegen hermitage. Die kapel werd in de zeventiende eeuw opgericht.
Rosbergkapelletje
De kapel werd in l96l opgericht door Jozef Wera en is toegewijd aan O.L.Vrouw. Ze stond eerst beneden waar nu de konijnepijp begint, onderaan de autosnelweg.
Ze werd achteraf ingevolge wegeniswerken naar hoven verplaatst.
Kapel aan de Dries
Deze kapel werd in 1960 opgericht en is toegewijd aan O.L.Vrouw. Het beeld werd eerst in de kerk gewijd door pastoor De Cleyn en daarna in een optocht naar de Dries gedragen, daar waar de Molenstraat en de Kruisstraat samenkomen. Aan het hoekhuis eertijds het haasje genoemd, was er een nis in de westelijke gevel aangebracht die door de toenmalige pastoor Willy Vanopdenbosch gewijd werd. Het was toen een mooie, droge zondag, zonder regenbui deze keer.
Huiskapelletjes
In 1961 werd door de parochiale geestelijkheid de bevolking aangesproken om deel te nemen aan het werk Regnum Mariae. Hierbij werden de gelovigen aangespoord om aan de voorgevel van hun woning een klein houten kapelletje met een Mariabeeld te plaatsen. De deelnemers konden deze kapelletjes bekomen tegen de prijs van l60 fr. Insiders vertelden dat de kapelletjes gemaakt waren door de schrijnwerkers René Beyens en Jules Huenaerts uit Everberg. Ze werden eerst gewijd in de kerk en vervolgens bij naamafroeping kreeg elke deelnemer zijn kapelletje mee naar huis. Sindsdien ziet men hij vele woningen aan de voorgevel nog zulke kapelletjes met een Mariabeeld erin hangen.
Afdruk van het uitnodigingshriefje
besteld in alle brievenbussen van Everberg
voor de inhuldiging van de Mariakapel in de Steenhofweg
(= tussen Steenhofstraat en Annunciadenstraat
in het domein achter de boerderij van Frans Van Campenhout)
Dorpsstraat van toen is de huidige Annunciadenstraat
Kapelarij is nu het eerste stuk van de Twee-Leeuwenstraat
Kouterstraat is huidige Gemeentehuisstraat + Blokstraat +
tweede helft van de Twee-Leeuwenstraat.
|