HOLEBI-ADOPTIE

Hierna volgen een aantal uittreksels/teksten die betrekking hebben op deze problematie:  standpunt van de Gezinsbond, een tekst van Annemie Dillen en een uittreksel van Roger Burggraeve (ondertitels werden zelf toegevoegd) en enkele pirvé-discussienota's.
Zie ook :
http://www.holebifederatie.be/gezinsbond
http://users.belgacom.net/pmmvmi/
 

,,Kinderen hebben recht op ouders, niet omgekeerd''
 Gezinsbond
(Copie uit "De Standaard" 16/06/2005)

BRUSSEL - De kamercommissie-Justitie organiseert volgende week extra hoorzittingen over adoptie door holebi's. De Gezinsbond, een van de uitgenodigde belangengroepen, kant zich daartegen.

Waarom bent u niet te vinden voor de holebi-adoptie?
Omdat er tegenwoordig heel veel aandacht gaat naar allerlei gezinsvormen, maar er nooit aandacht is voor het kind. Het komt altijd op de laatste plaats, of het nu gaat over adoptie, de combinatie gezin en arbeid of echtscheiding.

Onderzoeken wijzen uit dat kinderen geen schade lijden door een opvoeding door twee mensen van hetzelfde geslacht.
Er zijn evenveel onderzoeken die het tegengestelde zeggen. Bovendien gaan die onderzoeken altijd na hoe kinderen op bepaalde situaties reageren. Als ze geen afwijkend gedrag vertonen, dan concludeert men dat er geen gevolgen zijn. Maar wat we nooit te weten komen, is hoe die kinderen dat innerlijk beleven.
Op tv-programma's zie ik dat kinderen, tien, twintig, dertig jaar later nog op zoek gaan naar hun biologische ouders. Hier creëer je bewust zo'n situatie.

Geldt dat niet voor de meeste adopties, los van het feit of de ouders van hetzelfde geslacht zijn?
Dat kinderen zich vanaf vijftien, zestien jaar vragen gaan stellen, geldt inderdaad voor vele adopties, maar bij holebi-adoptie is het automatisch het geval. Kinderen hebben het fundamentele recht om hun biologische ouders te kennen. Overigens hebben volwassenen niet het recht op een kind. Kinderen hebben recht op ouders.

Kunnen twee mensen van hetzelfde geslacht dan geen goede ouders zijn?
Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat we niet weten wat het effect hiervan is op het kind. Daar stapt men te licht over.

Hebt u geen vertrouwen in de voorafgaande screening door Kind en Gezin?
Toch wel, ik heb vertrouwen in de degelijkheid en het objectief oordeel van Kind en Gezin, maar ook die dienst kan vandaag niet zeggen of zich morgen problemen zullen voordoen. En wie screenen ze? Opnieuw de ouders, niet het kind.

Kinderen van lesbische moeders hebben nu soms maar één wettelijke ouder. Is het niet beter dat ze er juridisch twee hebben?
Daar sta ik achter, omdat die kinderen er al zijn. Zij hebben evenveel recht op juridische bescherming. Wij komen op voor alle gezinnen. Dit belangt ook sommige van onze leden aan.

Zult u sommigen van hen niet tegen de borst stuiten met dit standpunt?
Ik hoop dat dat niet zo is, maar ik kan toch niet anders dan opkomen voor het belang van het kind.

(aho)
16/06/2005 (aho)
 
 

Naar een institutionalisering van lesbisch ouderschap?
Enkele pro’s en contra’s

Annemie Dillen,
Aspirant F.W.O.-Vlaanderen,
Centrum voor Vredesethiek, Faculteit Godgeleerdheid, K.U.Leuven

Het is noodzakelijk, wenselijk, en mogelijk dat lesbisch ouderschap geïnstitutionaliseerd wordt. Deze stelling werd verdedigd door Dominique Bauer (doctor in de Rechten, verbonden aan de Afdeling Romeins Recht en Rechtsgeschiedenis van de Faculteit Rechten, K.U.Leuven). Tijdens een seminarie Genderstudies, georganiseerd door de VAP-werkgroep Vrouw & Universiteit in samenwerking met het Interfacultair College Genderstudies, K.U.Leuven (9 december 2002), kreeg Dominique Bauer de mogelijkheid om haar standpunt uiteen te zetten.

Lieve Vandemeulebroecke, professor gezinspedagogiek aan de K.U.Leuven, trad op als referent. Dat leidde tot een boeiend overzicht van argumenten pro en contra lesbisch ouderschap en de institutionalisering ervan.

Normaal, abnormaal: geen dualisering?
Bauer argumenteerde dat maatschappelijke integratie sterk samenhangt met de opvatting van wat normaal, legitiem, maatschappelijk constitutief is, of wat niet abnormaal, ziek, marginaal is. In het verleden, maar ook vandaag nog, worden homo en hetero vaak als twee compleet tegenovergestelden voorgesteld. De heteroseksuele kinderwens zou verwijzen naar plicht en verantwoordelijkheidsbesef, terwijl de kinderwens van lesbische koppels een egoïstische claim van het recht op ouderlijk gezag is, die ingaat tegen het eigenbelang van het kind. Een dergelijke emotioneel geladen dualisering is zeer nefast, aldus Bauer. Bovendien zou de afkeuring van lesbisch ouderschap te sterk op een essentialistische visie op seksualiteit en voortplanting gebaseerd zijn, een visie die vandaag meer en meer onder kritiek komt te staan.

Voordelen van het institutionaliseren van lesbisch ouderschap?
Bauer benadrukte het belang van een zekere institutionele vormgeving van lesbisch ouderschap voor de positieve identiteitsvorming van individuen. Om de stelling dat het institutionaliseren van lesbisch ouderschap wenselijk is, kracht bij te zetten, verwees Bauer naar het recente doctoraatsonderzoek van Katrien Vanfraussen van de VUB, waarover ook in De Standaard gerapporteerd werd (6 december 2002, p. 5), onder de kop ‘Kinderen uit lesbisch gezin zijn even gelukkig’. Een citaat uit De Standaard: «Maar de kinderen uit deze gezinnen ontwikkelen zich op net dezelfde manier als andere kinderen. Ze worden niet vaker gepest. Wel is de helft nieuwsgierig naar de anonieme donorvader». Dit onderzoek is opvallend, omdat hier voor het eerst pre-adolescenten bevraagd worden over hun beleving van lesbisch ouderschap. Institutionalisering van lesbisch ouderschap is niet enkel wenselijk en noodzakelijk, aldus Bauer, maar ook mogelijk, bijvoorbeeld door de wetgeving in verband met adoptie en/of ouderlijk gezag aan te passen, zodat de ‘meemoeder’ ook een juridische band met het kind heeft.

Nuanceringen noodzakelijk?
Prof. Lieve Vandemeulebroecke reageerde op dit standpunt door heel wat nuanceringen aan te brengen vanuit pedagogische hoek. Haar invalshoek was niet zozeer het juridische kader en de verhouding tussen institutionalisering en psychologisch welbevinden, maar wel de opvoedingsrelatie en het welzijn van het kind.

Vooral aandacht voor kunstmatige inseminatie met donorsperma
Vandemeulebroecke wilde zich vooral focussen op lesbisch ouderschap via KID (kunstmatige inseminatie met donorsperma), en niet zozeer op lesbische gezinnen die ontstaan door een relatie tussen twee vrouwen, waarbij minstens één van de partners (eigen) kinderen uit een eerdere relatie met een man mee in het gezin brengt. Onafgezien van het fenomeen van lesbisch ouderschap, brengt het krijgen van kinderen via KID bijzondere risico’s met zich mee, waarover, in tegenstelling tot lesbisch ouderschap, wel heel wat literatuur bestaat. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de identiteitsvorming en de last van de onwetendheid over de biologische vader (indien het om een anonieme donor gaat). In het geval het om lesbisch ouderschap gaat is er wel het voordeel dat de ouders in de meeste gevallen reeds zeer vroeg aan het kind duidelijk maken dat er KID is geweest. Dat is positief te noemen, omdat er op die manier openheid is en er niet met een familiegeheim geleefd moet worden. Het kind verneemt dit ook via de ouders, en niet toevallig door het ergens op te vangen van derden.

Aandacht voor het kind zelf
Vandemeulebroecke stelde dat ze ten zeerste bereid is om homoseksuele en lesbische relaties te erkennen als ‘gezond en ‘legitiem’. Het is goed wanneer deze relaties via een maatschappelijk contract bevestigd kunnen worden. Maar wanneer er rechtstreeks een derde betrokken is bij de relatie, namelijk een kind, dat niet zelf kiest voor de lesbische relatie van de ouders, dan klinkt de vraag toch anders.

Risico? Positieve onderzoek?
Vandemeulebroecke benadrukt het spreken in termen van risicofactoren en beschermende factoren. Daarbij wijst men in bepaalde situaties op een ‘verhoogd risico’, maar wijst men tevens ook op de (mogelijke) aanwezigheid van protectieve factoren, die compensatie bieden voor het verhoogde risico, wat maakt dat bijvoorbeeld niet alle kinderen uit een probleemgezin ook zelf problemen zullen ontwikkelen. Deze benadering vervangt de vroegere ‘deficit’-benadering, waarbij enkel de tekorten van opvoedkundige relaties worden beschreven en veroordeeld. Het valt echter op dat in onderzoek naar lesbisch ouderschap toch wel zeer veel positieve resultaten opduiken. Dat hangt samen met het feit dat men probeert de maatschappelijke negatieve houding tegenover lesbisch ouderschap te ontkrachten. Deze ‘agenda’ bepaalt echter mede de resultaten van het onderzoek.

Lesbisch < -- > Hetero
Vandemeulebroecke wees op één studie, die niet zonder meer de ‘gelijkheid’ tussen lesbisch en heteroseksueel ouderschap aantoonde en een pleidooi inhield ten gunste van lesbisch ouderschap . Het betreft een studie bij jonge kinderen waaruit blijkt dat jonge kinderen (4-7 jaar) uit lesbische koppels (KID) wel meer afhankelijkheidsgevoelens aan de ‘meemoeder’ toeschrijven dan kinderen uit heteroseksuele koppels aan hun vader. Dat wijst dus op een grotere ondersteuning van de meemoeder dan van een vader, wat strookt met onderzoek naar de zorgtaken in het heteroseksuele gezin, waarbij vaders nog steeds minder zorgtaken op zich nemen en waarbij blijkt dat kinderen meer ondersteuning vanwege de moeder ondervinden. Het viel echter op dat wat betreft het toekennen van positieve gevoelens aan hetzij de meemoeder, hetzij de vader, het resultaat omgekeerd was. Kinderen uit heteroseksuele gezinnen kennen meer positieve gevoelens toe aan hun vader, dan kinderen uit lesbische gezinnen aan de ‘meemoeder’, zodat het verschil in het toekennen van positieve gevoelens tussen moeder en vader kleiner is dan tussen moeder en meemoeder. Dat zou mogelijk te maken kunnen hebben met het feit dat er geen maatschappelijke normering bestaat in verband met lesbische gezinnen. Kinderen uit heteroseksuele gezinnen zouden in de maatschappij leren dat de vader even goed voor hen zorgt als de moeder, ook al wordt hij als minder ondersteunend beleefd. Kinderen uit lesbische gezinnen hebben dit maatschappelijk cultureel patroon niet. In het onderzoek was er een controlegroep waarbij de vader de biologische vader was, en een groep waarbij ook KID was toegepast. Volgens Vandemeulebroecke was het echter niet duidelijk of de kinderen in de heteroseksuele gezinnen waar KID was toegepast, hiervan op de hoogte waren. Dat maakt het onduidelijk of de resultaten van het onderzoek te wijten zijn aan KID of aan het lesbisch ouderpaar.

Homoseksuele paren?
Er is weinig zekerheid over het feit dat de resultaten die gevonden worden bij lesbische ouders en hun kinderen, ook gelden voor homoseksuele paren en hun kinderen. Over de gevolgen van homoseksueel ouderschap is nog zeer weinig geweten. Indien lesbisch ouderschap zou geïnstitutionaliseerd worden, zou dat ook moeten gelden voor homoseksueel ouderschap. Op dat vlak is voorzichtigheid en reflectie echter ten zeerste geboden.

Nuancering?
De positieve resultaten van heel wat studies over lesbisch ouderschap moeten ook enigszins genuanceerd worden vanuit het besef dat de bevraagden pioniers zijn, die juist omwille van de pioniersstatus zeer veel willen investeren in de opvoedingsrelatie. Mensen die ‘onder toezicht’ staan, gaan ook vaak bewust meer inspanningen doen. Wanneer lesbisch ouderschap meer en meer verspreid zou worden, zouden de positieve resultaten wel eens gevoelig kunnen minderen. Bovendien moet opgemerkt worden dat de kinderen in weinig onderzoek aan bod komen. Het meeste onderzoek gaat ook over kleine kinderen, terwijl het wel eens zou kunnen dat heel wat problemen zich juist voordoen in de puberteit.

Kinderen loyaal met biologische ouders!
Vandemeulebroecke wees verder kort op de theorie van Ivan Boszormenyi-Nagy, waarin gesteld wordt dat kinderen existentieel loyaal zijn met beide biologische ouders. Op basis daarvan kan de zoektocht van adoptiekinderen en KID kinderen naar hun biologische ouder enigszins verklaard worden en kunnen ook de moeilijkheden gekaderd worden. Het zou te ver leiden om hier verder op in te gaan. Het is echter duidelijk dat KID-kinderen die opgroeien in een lesbisch gezin met bijkomende ontwikkelingstaken worden geconfronteerd, zoals de verwerking van het feit dat het kind niet in een traditioneel gezin leeft, het zich moeten verantwoorden tegenover de omgeving en de identiteitsvorming.

Nood aan reflexie over kinderwens door KID
Belangrijk is ook dat de kinderwens niet instrumenteel is, dat het kind niet louter als een middel tot de eigen identiteitsvorming gezien wordt en dat het belang van het kind zelf centraal staat. Ook bij in vitro fertilisatie bij heteroseksuele koppels is dit risico aanwezig. Vandemeulebroecke wou niet zeggen dat lesbische ouders uit egoïsme handelen, maar ze wees wel op de noodzaak van reflectie bij elk lesbisch ouderpaar over de kinderwens. Reflectie is noodzakelijk, want lesbisch ouderschap door KID creëert een hele nieuwe situatie, die toch anders ligt dan wanneer lesbische ouders kinderen uit een eerdere partnerrelatie van één van beide partners opvoeden. In dat laatste geval gaat het om een feitelijke situatie, een (echt)scheiding en het aangaan van een nieuwe relatie, die op zich niet zonder meer positief te noemen is, maar waar het een noodzaak is om er dan ‘het beste van te maken’. Hier is het lesbisch ouderschap een gevolg van een andere situatie en geen maatschappelijk gecreëerd fenomeen.

Lesbisch ouderschap niet gelijk aan eenoudergezin
Hoewel er dus heel wat ‘risico’s’ verbonden zijn aan lesbisch ouderschap, moet toch ook opgelet worden om lesbisch ouderschap niet zonder meer gelijk te stellen met een eenoudergezin. In een lesbisch gezin zijn er twee ouders aanwezig en biedt positievere opvoedingskansen dan wanneer er slechts één ouder is. De vraag is dan echter of deze dubbele opvoedingsrelatie ook moet geïnstitutionaliseerd worden. Hier sprak Vandemeulebroecke zich niet echt over uit. Ze plaatste voornamelijk pedagogische kanttekeningen bij een te affirmatief benadrukken van de noodzaak op institutionalisering van lesbisch ouderschap. Het is in elk geval belangrijk dat er, indien er sprake is van lesbisch ouderschap, uitvoerige gesprekken met de toekomstige ouders zijn en dat aan opvoedingsondersteuning gedaan wordt. Dit is geen discriminatie van de lesbische ouders, aldus Vandemeulebroecke, want ook in een hetero-gezin kijkt de maatschappij mee. Via organisaties als Kind en Gezin, Bijzondere Jeugdzorg. komt de maatschappij in heel wat gezinnen ook tussen, juist omwille van het belang van het kind.

Erkenning van het verschil tussen lesbische en hetero-gezinnen
Een zeer belangrijk element in het betoog van Vandemeulebroecke, dat in zekere zin samenvattend is, betrof de noodzaak van de erkenning van het verschil. Lesbische gezinnen zijn niet zonder meer gelijk te stellen aan vphetero-gezinnen. Er zijn specifieke risico’s verbonden aan lesbisch ouderschap (maar ook protectieve factoren). Het erkennen hiervan maakt het mogelijk om juist bijzondere aandacht te schenken aan het potentiële risico en dit aldus te vermijden. Wanneer zonder meer gesteld wordt dat lesbische gezinnen in niets verschillen van hetero-gezinnen, wordt bovendien de eigenheid van de relatie ontkend.
 
 


Adoptie

Uit : "Al de vragen van ons leven. Een ethiek voort het dagelijkse leven."
R. Burggraeve & I. Van Halst, Tielt, Lannoo, 2005, p. 100-101

Vooreerst een verbintenis met elkaar
“Ondertussen gaat de emancipatiestrijd van de homobeweging onverminderd voort. De kwestie of burgerlijk gehuwde homo- en lesbiennekoppels kinderen mogen adopteren, is immers nog niet opgelost. Net als bij hetero’s moet ook hier als ethische voorwaarde gelden dat men als homo- of lesbiennekoppel een exclusieve, duurzame en onvoorwaardelijke verbintenis aangaat met elkaar. Een adoptiekind heeft toch het recht om in een toekomstgerichte relatie thuis te komen.

Beperkt wetenschappelijk onderzoek
Sommigen werpen echter op dat het schadelijk is voor een kind om opgevoed te worden door twee homo’s of twee lesbiennes. Tot op heden echter heeft beperkt wetenschappelijk onderzoek onvoldoende uitgewezen dat dit negatieve gevolgen heeft voor het kind.

Een goede vader en moeder zijn!
Psychoanalytici benadrukken dan weer dat een kind een vader en een moeder moet hebben. Ze hebben een punt, maar enkel in symbolische zin. Een kind heeft een moederlijke kant nodig die instaat voor geborgenheid, wederkerigheid en nestwarmte, maar ook een vaderlijke kant die de wet en de structuur vertegenwoordigt. Eigenlijk vertolkt zowel de vader als de moeder deze beide aspecten, zij het in verschillende mate. Ook de moeder speelt wel eens arm der wet. Wie welk aspect vertolkt, doet niet echt ter zake, zolang beide maar vertegenwoordigd zijn in de opvoeding. Het meest wenselijke is dat de vader die het sociale vaderschap waarneemt, ook de genetische en biologische vader is. In de praktijk zien we echter dat dit bijvoorbeeld in eenoudergezinnen evenmin het geval is en daar niet automatisch voor problemen zorgt.
Bovendien is er geen enkele aanwijzing om enkel en alleen uit het feit dat iemand homo of lesbienne is, af te leiden dat hij of zij niet in staat zou zijn een kind op te voeden. Dat hangt van andere elementen af. Het is immers niet doordat een man en een vrouw gehuwd zijn en kinderen hebben dat ze ook automatisch een goede vader en een goede moeder zijn. Je hebt wel een natuurlijke band met het kind die onverbrekelijk is, maar de capaciteit om een goed ouder te zijn is een ethische kwaliteit. Daarom zie ik niet in waarom homo’s of lesbiennes geen kinderen zouden mogen adopteren.

Eerlijk zijn tegenover het kind!
Wat wel enorm belangrijk is, is dat men eerlijk omgaat met het kind dat geadopteerd wordt en met zijn welzijn. Een kind heeft er recht op te weten waar het vandaan komt. Daarom moet er ook in het geval van kunstmatige inseminatie bij lesbiennes eerlijk omgegaan worden met de herkomst van het genetische materiaal. Vanuit het welzijn van het kind ben ik tegen anoniem donorschap zoals ik tegen anonieme adoptie ben. Uit onderzoeken is immers gebleken hoe kinderen die uit een slippertje geboren worden, te kampen kunnen krijgen met een identiteitscrisis, voornamelijk wanneer de waarheid over hun ontstaan op een leugen berust.”
 
 


Discussie over holebi-adoptie?

Een standpunt tegen holebi-adoptie

Een positieve beslissing over holebi-adoptie wordt betreurd door een aantal mensen. Volgens hen zal het kind de rekening betalen voor de "wensen" van volwassenen. Een kind is nochtans in de eerste plaats een "geschenk", gegeven in een liefdesrelatie aan een "man & vrouw". Zelfs wanneer het ook vroeger soms door alleenstaanden werd grootgebracht wegens overlijden en gezinsproblemen, het kon zijn ouders kennen, het wist wie het was, dat het "een vader én moeder" heeft gehad. En dat is essentieel voor het psychisch evenwicht van een mens.  Maar er wordt zoveel teveel over andersgeaardheid gesproken, ook in het onderwijs, dat veel pubers al van meetaf twijfelen aan zichzelf en in feite zonder gegronde reden op een verkeerd spoor worden gezet, met alle gevolgen vandien. Soms reageren jongeren inderdaad in die zin. Deze tegenstanders tegen holebi-adoptie wensen zich vandaag enkel aansluiten bij de integere reactie van onze bisschoppen. Op termijn zullen veel kinderen vanuit hun onvermijdelijk psychische problemen reageren en de besluitnemers van vandaag op hun verantwoordelijkheid wijzen. De bal is aan het rollen gegaan, onze maatschappij is haar grenzen kwijtgespeeld. Het verhaal van de Genesis is meer dan ooit actueel: "wie aan de boom van de kennis van goed en kwaad wil peuteren, begaat een zware misstap en zal vroeg of laat de weerslag ervan ondervinden". Dat is onze maatschappij nu aan het goedpraten: de wetenschap heeft zich gesteld bóven de essentiële waarde van iedere mens, vanaf zijn conceptie tot aan zijn dood. De mens staat thans in dienst van de wetenschap! Dit zijn toch onkristelijke maatregelen! Laten we ophouden met begrip en barmhartigheid te verwarren met een goedpraten van alles. Dit is zeker geen naastenliefde.

Complexiteit van het denken omtrent adoptie door homo's en lesbiennes

Hierboven sprak Roger Burggraeve in het algemeen over adoptie door homo's of lesbiennes. Maar de problematiek lijkt echter nog veel complexer. De discussie wordt in het algemeen te zwart-wit gesteld wanneer men spreekt over adoptie, om mensen vaak onmiddellijk denken aan het adopteren van een kind door homo's
(mannen), terwijl het in de feiten vaak ook gaat over twee vrouwen (of twee mannen) die reeds een kind hebben. Wanneer kinderen zonder meer het voorwerp worden van 'grillen' van mensen, dan zijn ze zeker vaak de dupe - en daarvoor waarschuwen is terecht. Een grondige discussie over de motivatie van de keuze voor kinderen is belangrijk, voor homo's, lesbiennes, maar zeker ook voor hetero's.
Maar tegelijkertijd stelt zich de vraag naar wat als er een kind is, en hoe het welzijn van het kind garanderen en het kind ook rechtsbescherming geven. Deze vraag dient in elke discussie mee in rekening gebracht te worden.

De discussie omtrent adoptie door homo's of lesbiennes toont in elk geval nog maar eens aan dat 'het belang van het kind' voor vele interpretaties vatbaar is, en dus niet zonder meer als argument op zich kan gebruikt worden.
Adoptie door alleenstaanden of door één partner van een lesbisch koppel is veel moeilijker dan adoptie door een
homo-koppel of een lesbisch koppel.

Er spelen in de discussie veel aspecten een rol:

Geen enkele beslissing staat op zichzelf :
het denken over adoptie door homo- en lesbische koppels hangt samen met Dus complex is deze problematiek wel.