Verkenners op de grens van het beloofde land

Naar Numeri 13,1-14,2

 
Ze waren nu bijna aangekomen bij het land, waar ze al zo lang naar op weg waren.

Veertig jaar hadden ze erover gedaan: van het land waar ze als slaven hadden moeten werken, veertig jaar lang reizen en trekken, je tent opslaan en weer opbreken, en nu kwamen ze eindelijk in de buurt van het beloofde, het nieuwe, het heerlijke land.

Waar zou ’t liggen? Hoe zou ’t eruit zien? En wat voor mensen zouden er wonen?

Mozes zocht twaalf mannen uit, heel voorname en belangrijke mannen, en hij zei: “Gaan jullie eens stiekem kijken in het land! Kijk eens of er bomen groeien en bloemen, of er bergen zijn en kastelen en of er aardige mensen wonen of niet”.

De twaalf gingen op weg. Ze slopen de grens over en keken overal rond, ze liepen heel zachtjes over kleine binnenweggetjes en schreven alles op wat ze zagen.

Een paar kwamen langs een heuvel met prachtige wijngaarden, daar sneden ze een grote druiventros af, zo groot en mooi dat ze hem met twee man aan een stok moesten dragen. Veertig dagen blijven ze rondkijken in het land, en toen gingen ze terug.

Alle mensen stonden ze op te wachten en toen ze weer thuis waren begonnen ze meteen te vertellen: “Een prachtig land is het, zo groot en zo mooi! Kijk eens wat eeen heerlijke druiven! Er is meer dan genoeg te eten, en er zijn rivieren en er is zee en er zijn bossen”.

“Ja maar”, zeiden die anderen, “ja maar” en ze keken elkaar eens aan.

“Wat, ja maar?” vroegen de mensen.

“Ja maar, ja maar, - de mensen die er wonen… dat zijn net reuzen! Ze zijn heel groot en verschrikkelijk sterk. En ze wonen in steden met dikke muren eromheen. Die kunnen we nooit aan!”

“Nee, die kunnen we nooit aan!” zei een ander, “dat redden we nooit. Ik voelde me net een heel klein mannetje, toen ik die mensen zag! Daar kunnen we nooit tegenop!” “Wel waar”, riep Kaleb, één van de twaalf, “Wel waar, we kunnen ze best aan! Dat kunnen we best”.

“Hou je mond”, schreeuwden de anderen, “Wat weet jij er nou van? We kunnen dat nooit, dat is zeker, we hadden beter thuis kunnen blijven!”

“Ja”, riep opeens iedereen, “we hadden veel beter thuis kunnen blijven. Dat land – dat wordt toch niks, dat is veel te moeilijk voor ons, dat kunnen we nooit. We halen ’t nooit, we halen ’t nooit!”
 

VOORPRET – ACHTERDOCHT
 
Is het niet zo bij elke overgang naar een nieuwe fase in het leven, bij elke grensoverschrijding naar de toekomst?

Er zijn dromers en idealisten die ons melden welke fantastische mogelijkheden er zijn aan de overkant. Maar al vlug rijzen ook de hindernissen op: dikke muren en dreigendegezichten:

Is het niet zo in elke relatie dat je ver vooruit wil kijken, kop in de wolken en snel, snel, snel de stralende toekomst tegemoet? Je ziet en je ervaart in het begin zovele dingen die deugd doen, die je gelukkig maken, die `goddelijk zijn...

Maar er zijn ook de momenten van misverstand, de harde realiteit en de dagelijkse sleur. Twijfel begint te knagen en aarzeling vertraagt de pas...

Staan wij als koppel ook niet steeds op de grens van het Beloofde Land, aarzelend tussen “ja” en “ja maar”...?

Ach wie zal zeggen of dat wat wij hopen bestaat? Het is als met de wegen op aarde: eerst zijn er geen wegen, maar ze ontstaan als mensen in dezelfde richting gaan...
 
Reeds enkele maanden getrouwd: de eerste verkenningsopdracht zit erop.

Wat bezorgt jullie voor-pret?

* Welke druiventrossen leg je in het midden?
* Wat deed deugd? Wat smaakt naar nog?
* Wat was hemels, wat was ‘goddelijk’?
Wat veroorzaakt achter-docht?
* Welke reuzen ben je reeds tegen het lijf gelopen?
* Wat is moeilijker, weerbarstiger dan verwacht?
* Wat maakt je in jullie relatie een beetje voorzichtig of bang?