Het gezin: à-Dieu?
Naar een contextuele ethiek, theologie en (godsdienst)pedagogiek van gezinnen vandaagProefschrift aangeboden tot verkrijging van de graad van Doctor in de Godgeleerdheid.
Dillen Annemie
Promotor: prof. dr. D. Pollefeyt, copromotor: prof. dr. R. Burggraeve
Correctoren: prof. dr. L. Vandemeulebroecke, prof. dr. V. Draulans, prof. dr. J. Verstraeten
Samenvatting
Het doctoraatsproefschrift bestaat uit vijf hoofdstukken, een algemeen besluit en bijlagen, waaronder de resultaten van empirisch onderzoek. De centrale vraag doorheen het onderzoek betreft de verhouding tussen de idealen die bij mensen leven omtrent gezinsleven en die ook binnen een christelijk normatief ethisch spreken vertolkt worden enerzijds, en de realiteit van gezinnen, die vaak niet aan het ideaalbeeld beantwoordt en soms pijnlijk en hard is, anderzijds. In het proefschrift worden ethische reflecties ontwikkeld die ‘ideaal’ en ‘realiteit’ op elkaar betrekken. De gezinsethische reflectie wordt toegespitst op terreinen die doorgaans minder aandacht krijgen dan het huwelijk, met name de interne gezinsrelaties en specifiek de waarde van gelijkwaardigheid daarbinnen, (naasten)liefde en rechtvaardigheid in gezinsrelaties en de verhouding tussen gezinnen en bredere sociale omgeving. Visies op de wenselijkheid van gelijkwaardigheid en gelijkheid in gezinsrelaties stoten, net als de visie over het belang van het huwelijk voor gezinnen, op de vaak weerbarstige realiteit, die gekenmerkt wordt door beperktheden en door schuld (‘zonde’) op persoonlijk en sociaal vlak.
Wat de opbouw van het proefschrift betreft, worden, na een eerste hoofdstuk over de situatie van gezinnen in de hedendaagse westerse context, in de vier volgende hoofdstukken verschillende aspecten van het gezinsleven gethematiseerd. Achtereenvolgens komen aan bod: het alledaagse samenleven (hoofdstuk twee), de spanning tussen autoriteit en gelijkwaardigheid (hoofdstuk drie), (bloed)verwantschap (hoofdstuk vier) en het religieus opvoeden van kinderen (hoofdstuk vijf). Doorheen het gehele proefschrift worden resultaten van het empirische onderzoek binnen het Centrum Academische Lerarenopleiding (Pollefeyt et al., 2004), geïnterpreteerd.
In hoofdstuk één worden sociologische visies omtrent gezinnen geanalyseerd. In de hedendaagse westerse samenleving is spreken over ‘het gezin’ vanuit sociologisch standpunt omstreden. Zowel binnen de Duitstalige gezinssociologie als binnen het Amerikaanse family values debate wordt er door sommigen de voorkeur aan gegeven om over ‘gezinnen’ in het meervoud te spreken, terwijl anderen stellen dat ‘het gezin’ hetzij nog wél bestaat (kritiek op de pluraliseringsthese, cf. Kaufmann, et al.), hetzij opnieuw in ere moet worden hersteld (verdedigers van de family values, cf. Popenoe, Blankenhorn, et al.). We komen tot de vaststelling dat de discussie over de vraag of ‘het gezin’ al dan niet in crisis is, vaak voorbij gaat aan de individuele levensloop van mensen. Mensen kunnen concreet geconfronteerd worden met een ‘gezinscrisis’, maar ze kunnen tegelijk ook veerkrachtig reageren op ontwikkelingen binnen hun gezin. We ontwikkelen in deze verhandeling een ecologisch model van gezinnen en hun omgeving (Bronfenbrenner) en wijzen op het belang van nauwe relaties tussen verschillende niveaus in de samenleving (micro-, meso-, exo-, macro- en chronosysteem). Een zekere ‘permeabiliteit’ tussen de verschillende systemen is van groot belang voor een gezinsethiek die rekening houdt met de realiteit van huiselijk geweld, zo luidt één van de basisinzichten in het proefschrift. Gezinsleven is niet louter een privé-aangelegenheid, waar volledig andere waarden heersen dan in de bredere maatschappij. Het denken in termen van rechtvaardigheid en liefde is zowel binnen de maatschappij als binnen gezinnen van belang. De relaties tussen de samenleving en gezinnen worden onder andere verhelderd aan de hand van de ethische reflectie over concrete uitdagingen voor gezin en samenleving. Het proefschrift gaat in op de vraag naar de combinatie van arbeid buitenshuis en binnenshuis (de visie van de ‘dubbele roeping van ouders’) en op de vraag naar de legitimiteit van het ingrijpen in gezinnen in functie van preventie van huiselijk geweld (opvoedingsondersteuning en -hulp) en van het stopzetten van huiselijk geweld. We ontwikkelen de visie dat, met het oog op de kwaliteit van de gezinsrelaties en in functie van de samenleving als geheel, het wenselijk is dat gezinnen ingebed zijn in een breder sociaal netwerk, via bezoldigde arbeid en vrijwilligerswerk, via de buurt en het verenigingsleven.
Het tweede hoofdstuk neemt een centrale plaats in, omwille van de nadruk op een fundamenteel-ethische reflectie omtrent de wijze waarop een gezinsethiek vorm kan en moet krijgen. De vraag wordt behandeld hoe een gezinsethiek zowel fundamentalisme als relativisme kan vermijden, en toch ethisch relevante uitspraken over gezinnen kan doen, die mensen vooruithelpen. Vanuit een herinterpretatie van het natuurwetsdenken willen verschillende gezinsethici een relativistisch en egaliserend discours over gezinnen vermijden. Relevant is daarbij vooral het centraal stellen van de menselijke ervaring, waardoor de herinterpretaties van het natuurwetsdenken ook moreel absolutisme pogen te vermijden. De herinterpretaties van het natuurwetsdenken lopen echter het gevaar te sterk veralgemenend te zijn. Een gezinsethiek die ondersteunend wil zijn naar gezinsleden toe, is gebaat bij een benadering die de competenties en de veerkracht (resilience) van mensen, in relatie met hun omgeving, benadrukt, eerder dan met een benadering waarbij de focus ligt op de tekorten en op wat ‘nog-niet’ goed is. Gezinsethisch spreken staat voor de opdracht rekening te houden met de ambiguïteit van de werkelijkheid, zonder in dualistische denkpatronen te vervallen. De categorie van het ‘geheiligde fragment’, die in dit doctoraatsproefschrift ontwikkeld wordt, biedt mogelijkheden om zowel het reële onheil in gezinssituaties, evenals de positieve elementen te benoemen. Het denken in termen van ‘fragment’ verhindert dat het gezin als geheel geïdealiseerd wordt en dat onrecht tussen de plooien van het ‘harmonie-denken’ verdwijnt. De theologische concepten ‘verbond’ en ‘verrijzenis’ kunnen, wanneer ze op een dynamische manier geïnterpreteerd worden, eveneens een tegenwicht bieden tegen de idolatrische verheerlijking van de ‘liefde’ in (gezins)relaties van ‘onder uit’, vanuit individuele en sociale verlangens, en van ‘boven uit’, vanuit kerkelijk spreken. Deze christelijke geloofselementen vermijden een denken over gezinnen in termen van ‘perfectie’ en al te hoge idealen en bieden tegelijk een perspectief van zin en hoop, ook wanneer gezinnen met moeilijkheden geconfronteerd worden. Het christelijk geloof kan een basis bieden voor het idee dat ouderschap ‘goed genoeg’ kan zijn (‘good enough parenting’) en niet ‘perfect’ kan en moet zijn. Gezinsleven is niet volledig maakbaar als menselijke autonome creatie, zo wordt in deze verhandeling aangetoond. Het maakbaarheidsgeloof en perfectiestreven kunnen ertoe leiden dat mensen ongevoelig worden voor de ambiguïteit in elk gezin. Verbondenheid, verantwoordelijkheid, veerkracht en vertrouwen zijn kernbegrippen in de ontwikkelde reflectie.
Hoofdstuk drie begint met de stelling dat gezinsrelaties wezenlijk ethisch zijn: mensen dragen in het gezin verantwoordelijkheid voor elkaar. Het aspect ‘verantwoordelijkheid’ maakt deel uit van de eigen gezinsomschrijving. Deze luidt: “een gezin is een bijzonder instituut in de samenleving waarbij minstens twee mensen van een verschillende generatie (doorgaans ouders en kinderen) (gewoonlijk) samenleven en verantwoordelijkheid en zorg dragen voor elkaar op een duurzame basis”. Verantwoordelijkheid nemen impliceert het streven naar een rechtvaardige balans van geven en nemen (Boszormenyi-Nagy) en in het bijzonder ook een vorm van gelijkwaardigheid. Gelijkwaardigheid in de partnerrelatie kan opgevat worden als ‘gelijkheid’. Met betrekking tot de partnerrelatie is het wenselijk te streven naar een zekere graad van gelijkheid in de taakverdeling, vanuit de ontwikkelde visie dat mannen en vrouwen beiden zich het best ontwikkelen door op verschillende terreinen (binnenshuis en buitenshuis) verantwoordelijkheden op te nemen en vanuit het idee dat gezinnen minder risico lopen op huiselijk geweld en/of overtrokken romantische idealen wanneer de verschillende gezinsleden nauwe relaties met de buitenwereld onderhouden. Vanuit het perspectief van de sociaal-economische ongelijkheid is het idee van gelijkheid tussen partners voornamelijk een utopie, die tevens oproept tot het opnemen van verantwoordelijkheden op sociaal vlak. In de ouder-kindrelatie kan gelijkwaardigheid het best gestalte krijgen door middel van democratisch ouderschap, waarbij kinderen ernstig genomen worden als competente personen die meer zijn dan ‘nog-niet-volwassenen’ en waarbij liefde (responsiviteit) en rechtvaardigheid (democratische controle) samengaan. Kinderen en ouders zijn op elkaar aangewezen. Het beeld van het kind als competent subject betekent niet automatisch dat kinderen volledig autonoom zijn. De belangen en rechten van ouders en kinderen hoeven niet tot een machtsstrijd te leiden, maar dagen ouders (en kinderen) uit om verantwoordelijkheid op te nemen in de relatie en de andere te respecteren in zijn/haar eigenheid, met eigen competenties, noden en verlangens.
Het vierde hoofdstuk behandelt het respect voor de andere ‘als andere’ als de kern van de ethische opdracht in gezinsrelaties, die ook kan uitgedrukt worden met het begrip ‘naastenliefde’. Naastenliefde is niet enkel van toepassing op meer afstandelijke relaties, maar in het bijzonder ook binnen gezinnen (Purvis), waar de biologische verwantschapsbanden het respect voor het ‘verschil’ van de andere tot een bijzondere opgave maken. In verwantschapsrelaties is de kans om de andere te reduceren tot ‘hetzelfde’ immers groter dan in meer afstandelijke relaties. De nadruk op de mogelijkheid om naastenliefde ook in gezinsrelaties te beleven, betekent niet dat gezinsrelaties zelf verheerlijkt moeten worden. Het is wenselijk een kritische houding aan te nemen tegenover ‘familialisme’, tegenover een te sterke nadruk op cohesie en harmonie, al dan niet geïnspireerd door ideaaltypische voorstellingen van de ‘heilige familie’. Bijbelse verhalen bieden aanknopingspunten bij de kritiek op een te grote idealisering van het gezinsleven.
Ook in de discussie over religieuze opvoeding in gezinnen is het belangrijk om ‘het gezin’ niet als ultieme redding voor moeilijkheden, zoals het beperkte christelijk-geëngageerd geloof van mensen, te zien.In het vijfde hoofdstuk stellen we dat gezinnen weliswaar een belangrijke rol in de religieuze opvoeding van kinderen vervullen, maar dat ouders niet alleen voor deze taak staan. Opvoedingsondersteuning van ouders zou ook op het vlak van religieuze opvoeding wenselijk zijn. Daarbij is het belangrijk om ouders te ondersteunen in een dialogale, participatie-gerichte en hermeneutisch-communicatieve vorm van religieuze opvoeding in het gezin. Kinderen beschikken ook op het vlak van religie over heel wat competenties, en zijn niet te reduceren tot ‘nog-niet-gelovigen’. Het ernstig nemen van de eigen vragen en inzichten van kinderen op het vlak van religie, vraagt om religieuze opvoeding van kinderen, waarbij ouders en kinderen en kinderen onderling leren met en van elkaar, elk volgens hun specifieke competenties en ontwikkelingsnoden.
Stellingen
1. De sacralisering van het gezin als ‘heilige familie’ staat het ‘heilige’ in de weg. Wanneer gezinnen al te idealiserend voorgesteld worden, hetzij vanuit een normatief ethisch spreken, hetzij op basis van verwachtingen van mensen, geïnspireerd door hun omgeving en de media, bestaat de kans dat reëel ‘onrecht’ niet opvalt voor mensen die menen dat in een gezin ‘alles in liefde gebeurt’. Een gezinsethiek die ook het ‘niet-perfecte’ thematiseert, zonder mensen onmiddellijk te culpabiliseren, maakt het mogelijk dat conflicten en ook huiselijk geweld bespreekbaar worden.
2. Gezinsethisch denken mag niet louter als een relationele ethiek gezien worden, maar is tevens gebaat bij een benadering vanuit sociaal-ethische hoek. Een te grote nadruk op de individuele verantwoordelijkheid van gezinnen en gezinsleden, kan mensen het gevoel geven dat ze niet kunnen beantwoorden aan de grote verwachtingen. Dit kan leiden tot sluimerende vormen van passiviteit en moedeloosheid. En omgekeerd kan een te grote nadruk op sociale verantwoordelijkheid leiden tot een ontkenning van de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid.
3. Met het oog op het bevorderen van het huwelijksgezin, is een gezamenlijke inspanning vanuit culturele hoek (in het bijzonder religies) en economisch-politieke hoek noodzakelijk. Deze inspanningen ter bevordering van het gezinsleven lopen echter het risico getekend te zijn door het maakbaarheidsideaal. Het bestrijden van de invloed van de moderniteit met haar technische rationaliteit op gezinsrelaties via een soort (religieus geworteld) ‘contrastmodel’, met hetzij een actieve invloed op de samenleving, hetzij een symboolfunctie en een appelerende kracht, is getekend door een paradox. Het ‘contrastmodel’ wordt verdedigd vanuit een ‘efficiëntie’-denken en is aldus zelf schatplichtig aan de logica van de moderniteit.
4. Een gezinsethiek die zich baseert op het resilience (veerkracht)-denken zal de negatieve gevolgen die bepaalde gezinsvormen in het algemeen met zich mee brengen onder ogen zien, maar zal tevens de nadruk leggen op de positieve mogelijkheden van mensen om, ondanks moeilijkheden, ‘goed te handelen’ voor zichzelf en voor anderen. Het model van de ‘groei-ethiek’ (Burggraeve) wordt door het in dit proefschrift ontwikkelde resilience-denken verder ontvouwd. Het resilience-concept biedt de mogelijkheid om het theologische begrip ‘verrijzenis’ in de context van een hedendaagse gezinsethiek te interpreteren en biedt een alternatief voor een dualistische evaluatie van gezinsleven in termen van een ‘cultuur van het leven’ of een ‘cultuur van de dood’ (Trujillo).
5. Christelijke ouders, mannen en vrouwen, hebben een dubbele roeping, wat engagement betreft zowel binnenshuis als buitenshuis. Het spreken over arbeid buitenshuis als een vorm van ‘christelijke roeping’ kan onderdrukkend werken, omdat het kan worden gebruikt als een argument om sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid ‘uit te houden’ in plaats van aan te klagen. Tegelijkertijd kan het spreken over werk als ‘roeping’ ook een maatschappelijk-kritisch potentieel in zich houden, namelijk als oproep om menswaardige jobs te creëren, die een zinvolle bijdrage leveren aan de maatschappij.
6. Christelijke geloofsbeleving in gezinnen is vooral met het oog op de gezinsleden zelf van belang. Kerk- en samenlevingsopbouw (gezin als huiskerk en kiemcel of hoeksteen van de samenleving) zijn epifenomenen van een christelijke beleving van gezinsrelaties.
7. De moeder speelt een belangrijke rol in het wekken van het geloof van jongeren. Empirisch onderzoek wijst uit dat, bij jongeren die daadwerkelijk tot geloof komen, het geloof en de opvoeding van de vader ook doorweegt, als ondersteuning van de moeder. Vaders die sterk op hun kind betrokken zijn, zijn meestal ook sterker bij de geloofsopvoeding van het kind betrokken. Jongeren die zichzelf gelovig noemen, ervaren hun vader als meer betrokken bij de (religieuze) opvoeding. Deze gelovige jongeren ervaren ook een hogere betrokkenheid van hun moeder op hen in het algemeen en in het bijzonder wat betreft geloofsvragen dan jongeren die zichzelf ongelovig noemen of met geloofstwijfels kampen. Bij de pastorale ondersteuning van gezinnen zou meer aandacht moeten worden besteed aan de rol van de vader. Parochies zouden initiatieven kunnen nemen waarbij vader en moeder samen naar catechetische activiteiten kunnen komen (met tevens activiteiten voor kinderen/jongeren).
8. De maatschappelijke waarden waartoe ouders willen opvoeden, bijvoorbeeld gevoel voor rechtvaardigheid en democratisch denken, moeten ook vorm krijgen in het concrete leven van gezinnen zelf. Het gemeenschapsleven in gezinnen is immers niet radicaal anders dan het leven in de bredere maatschappij en gezinnen zijn belangrijke morele leerscholen. Dit geldt ook voor religieuze opvoeding. Opvoeden tot reflectief geloofsdenken veronderstelt dat ook in de manier van opvoeden ruimte is voor reflectie, voor kritische bevraging en het leren van elkaar, weliswaar aangepast aan de persoonlijke ontwikkeling van de kinderen.
Annemie Dillen (°1978), licentiaat in de Godsdienstwetenschappen (2000) en in de Godgeleerdheid (2001), is sinds 2001 als aspirant F.W.O.-Vlaanderen verbonden aan het Centrum Academische Lerarenopleiding en het Centrum voor Vredesethiek, Faculteit Godgeleerdheid, K.U.Leuven.
De openbare verdediging vond plaats op vrijdag 15 april 2005 om 17 uur in de Promotiezaal van de Universiteitshal, Naamsestraat 22, Leuven.
Het proefschrift ligt ter inzage op het Faculteitssecretariaat.